RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33497
van Nigeriaanse nationaliteit,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
Mede namens haar minderjarige kinderen:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] , V-nummer: [nummer]
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] , V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: mr. P.A.M. Friesen).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening houdt verband met het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep onder nummer NL25.33496, op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.33496, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand gelaten en het beroep ongegrond verklaard.. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding, omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. De vergoeding in de onderhavige procedure bedraagt € 934,- omdat verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Voor de deelname aan de zitting is in de uitspraak op het beroep al een vergoeding toegekend.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.