Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Parketnummer: 09/274761-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
De rechtbank Den Haag, meervoudige economische kamer, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. van Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.A. Hoste naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
3. De bewijsbeslissing
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, al dan niet tezamen en vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
- 20 stuks, althans een of meer stuks, Shells en/of
- 100 stuks, althans een of meer stuks, knalvuurwerk (DumBum)
aan een pseudokoper van de politie ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad.
2
hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
- 2360 stuks, althans een of meer stuks, knalvuurwerk (Dumbum)
- 72 stuks, althans een of meer stuks, Shells
- 36,44 kilogram, althans een hoeveelheid, enkelschotsbuizen en/of Romeinse kaarsen
heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad in een kelderbox aan de [adres 2] .
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025348847, onderzoek IROKO25 / DHRBA25021, van de politie eenheid Den Haag, team Milieu, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 279).
Ten aanzien van feit 1
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 oktober 2025 (p. 30-32);
3. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 16 oktober 2025 (p. 50-63).
Ten aanzien van feit 2
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 oktober 2025 (p. 36-37);
2. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 16 oktober 2025 (p. 72-114);
3. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, op 17 oktober 2025 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
- 20 stuks Shells en
- 100 stuks knalvuurwerk (DumBum)
aan een pseudokoper van de politie ter beschikking heeft gesteld en voorhanden heeft gehad.
2
hij op 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
- 2360 stuks knalvuurwerk (DumBum) en
- 72 stuks Shells en
- 36,44 kilogram, althans een hoeveelheid, enkelschotsbuizen en/ Romeinse kaarsen
voorhanden heeft gehad in een kelderbox aan de [adres 2] .
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die is doorgebracht in voorlopige hechtenis. Daarnaast heeft de raadsman bepleit om ook een taakstraf aan de verdachte op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met een ander zwaar knalvuurwerk verkocht aan particulieren. Hij heeft het vuurwerk aangeboden in Telegram groepen, waarbij het gekomen is tot een verkoop van dit vuurwerk aan een pseudokoper van de politie. Er worden met dit type vuurwerk regelmatig aanslagen gepleegd, met aanzienlijke schade en maatschappelijke impact tot gevolg.
Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander meer dan 2.000 stuks zwaar knalvuurwerk voorhanden gehad. De rechtbank overweegt dat het merendeel van het vuurwerk dat in de kelderbox lag (en van daaruit werd verkocht) professioneel vuurwerk was van categorie F4. Dit type vuurwerk is zeer gevaarlijk en mag alleen door vuurwerkprofessionals die beschikken over een vergunning worden afgestoken. Het bevat een veel grotere explosieve lading dan het vuurwerk dat aan consumenten verkocht mag worden. Het afsteken van dit type vuurwerk brengt dan ook grote risico’s mee voor degene die het afsteekt maar ook voor eventuele omstanders. Soms zijn er onder de afnemers en/of omstanders zelfs dodelijke slachtoffers te betreuren. Onder andere de jaarwisselingen wijzen dit, helaas, keer op keer uit.
De verdachte heeft met het voorhanden hebben van zeer grote hoeveelheden illegaal professioneel vuurwerk en de verkoop van dit vuurwerk aan dit alles bijgedragen. De rechtbank kent hieraan zwaarwegende betekenis toe.
Alleen al gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.
De omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan
Ook de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan spelen een rol in de straftoemeting.
De rechtbank kent bij haar straftoemeting eveneens zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat een zeer grote hoeveelheid gevaarlijk vuurwerk lag opgeslagen in een kelderbox, midden in een dichtbevolkte woonwijk. De gevaarzetting als gevolg daarvan is immens. Als dit vuurwerk tot ontploffing zou zijn gekomen, zou dit verwoestende effecten hebben gehad op de omgeving. Brandwerende voorzieningen in de kelderbox of ter bescherming van het opgeslagen vuurwerk zelf, waren niet zichtbaar aanwezig. De box lag vol met plastic zakjes gevuld met los vuurwerk.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 november 2025, waaruit volgt dat geen sprake is van relevante eerdere veroordelingen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 18 november 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico en geen sprake is van een delictpatroon. Verder blijkt uit het reclasseringsadvies dat de verdachte makkelijk beïnvloedbaar is. Daarnaast blijkt dat de verdachte kampt met gezondheidsproblemen en hij al jaren bij de beschermd wonen instelling Huis en Haard verblijft.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht.
Richtlijnen openbaar ministerie en rechtspraak in vergelijkbare gevallen
De rechtbank heeft acht geslagen op de richtlijnen van het openbaar ministerie voor vuurwerkdelicten. Daarin is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden als uitgangspunt vermeld voor het voorhanden hebben van 200 stuks of meer professioneel knalvuurwerk in de categorie F4. Voor veel grotere hoeveelheden worden geen nadere richtlijnen meer gegeven, maar de rechtbank stelt vast dat het in dit geval gaat om een hoeveelheid van ruim tien keer zo veel. Daar komt ook nog bij dat sprake was van professioneel vuurwerk in de categorieën F2 en F3. De rechtspraak heeft geen oriëntatiepunten voor vuurwerkdelicten. De rechtbank heeft naast de genoemde richtlijnen van het openbaar ministerie acht geslagen op rechtspraak in vergelijkbare gevallen.
De straf
De rechtbank komt, alles afwegende, tot een hogere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat de op te leggen straf mede strekt tot preventie, niet alleen in het specifieke geval van de verdachte, maar ook in algemene zin, als signaal naar de samenleving. De aard en de hoeveelheden vuurwerk die de verdachte voorhanden had en de omstandigheid dat dit opgeslagen lag in een kelderbox in een woonwijk rechtvaardigen de op te leggen straf ook. De rechtbank komt tot een lagere straf dan in het geval van de medeverdachte, in het bijzonder nu in het geval van de verdachte geen sprake is van herhaling en de rechtbank in zekere mate betekenis toekent aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank acht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank legt deze voorwaardelijke straf op met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering. De rechtbank acht deze bijzondere voorwaarde van belang, omdat uit het reclasseringsadvies, het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte beïnvloedbaar is en een meldplicht daarom kan werken als stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte zich wederom schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 1 a, 2 en 6 Wet op de Economische delicten
- 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;
- 1.2.2. en 2.1.4 van het Vuurwerkbesluit.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van de feiten 1 en 2:
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermaals gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal er wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij het Leger des Heils, [adres 3] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck- van Drempt, voorzitter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Melieste, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2026.