ECLI:NL:RBDHA:2026:1793

ECLI:NL:RBDHA:2026:1793

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL25.51644 NL25.51783 NL25.51786 NL25.51788
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Dublin, verleningsbesluit, ontvankelijkheid MOB, motivering van de besluiten, sprake van onderduiken, niet de bedoeling, ongegrond

Uitspraak

3. ECLI:NL:RBDHA:2025:22557.

Onderduiken

4 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijv. ECLI:NL:RVS:2019:579.

5 ECLI:NL:RBDHA:2024:16508.

9. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten voldoende zijn gemotiveerd. In de besluiten staat dat de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wordt verlengd, omdat eisers zijn vertrokken en onbekend is waarheen. Anders dan eisers stellen, is de nieuwe uiterste overdrachtstermijn (10 december 2026) wel opgenomen in de bestreden besluiten. Daarnaast blijkt uit een door de minister overgelegd uittreksel uit het systeem dat eisers op 22 april 2025 MOB zijn gemeld. Uit de dossierstukken volgt dat eisers van 22 april 2025 tot en met 2 oktober 2025 ook daadwerkelijk zijn vertrokken, zonder dat zij de minister op de hoogte hebben gesteld van hun verblijfplaats. Er is geen sprake is van eenzelfde situatie als in de door eiser aangedragen zaak van Den Haag, zittingsplaats Groningen van 10 oktober 20246, zodat de verwijzing naar die uitspraak reeds daarom niet kan slagen. De beroepsgrond faalt.

10. Eisers voeren aan dat er geen sprake was van onderduiken. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 25 juli 2025,7 waaruit volgt dat er geen sprake is van onderduiken, als eisers aannemelijk kunnen maken dat het niet de bedoeling was om zich te onttrekken aan de autoriteiten met de bedoeling de overdracht te voorkomen. Eisers hadden namelijk niet de bedoeling om zich aan de autoriteiten te onttrekken met als bedoeling de overdracht te voorkomen. Eiser had ernstige medische klachten en hij kan daarom niet alle soorten voedsel eten, waarbij is verwezen naar een medisch journaal. Aangezien eisers niet hun eigen maaltijden op het asielzoekerscentrum (AZC) mochten bereiden, waren zij genoodzaakt om bij vrienden aan de grens met Frankrijk te verblijven. Eisers verbleven hier al voordat de minister op 28 mei 2025 een Dublinclaim naar Frankrijk verzond. Aangezien er nog geen verplichtingen voor eisers waren met betrekking tot de overdracht toen zij uit het AZC vertrok, kan niet worden aangenomen dat zij de bedoeling had om zich aan het toezicht te onttrekken.

11. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt.

12. Uit het Jawo arrest8 volgt dat de vreemdeling „onderduikt” in de zin van die bepaling wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. Aangenomen mag worden dat dit het geval is wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn desbetreffende verplichtingen, wat de verwijzende rechter dient na te gaan. De betrokken verzoeker behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten.

6. ECLI:NL:RBDHA:2024:16508.

7 ECLI:NL:RBDHA:2025:13680.

8 ECLI:EU:C:2019:218.

13. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Uit de aanvraagformulieren (M35-H) blijkt dat eisers bij hun asielaanvragen geïnformeerd zijn over hun verplichtingen, onder meer om wijzigingen van hun verblijfplaats zo snel mogelijk door te geven. Dat zij reeds met onbekende bestemming zijn vertrokken voordat er een overdrachtsbesluit was, maakt niet dat geen sprake is van onderduiken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 september 20259 volgt dat van onderduiken ook sprake kan zijn als nog geen overdracht is gepland of als nog geen mogelijkheid bestaat om over te gaan tot overdracht. Hierbij wijst de Afdeling erop dat een andere uitleg zou betekenen dat de minister voorbereidingshandelingen zou moeten treffen voor vreemdelingen die allang ondergedoken zijn, alvorens zij de overdrachtstermijn te kunnen verlengen, wat in strijd zou zijn met het nuttig effect van de Dublinverordening. Nu zoals hiervoor overwogen niet in geschil is dat eisers van 22 april 2025 tot en met 2 oktober 2025, zijnde ruim vijf maanden, met onbekende bestemming zijn vertrokken en zij hun nieuwe adresgegevens niet aan de minister kenbaar hebben gemaakt, vindt de rechtbank dat de minister de overdrachtstermijn mocht verlengen. Wat is aangevoerd over de medische conditie van eiser en dat hij niet alles zou kunnen eten, maakt het voorgaande niet anders. Uit de stukken blijkt weliswaar dat sprake is van medische problemen bij eiser, maar niet dat eisers als gevolg daarvan niet in het azc konden verblijven. Voor zover dat al zo was, valt niet in te zien waarom eisers dan niet hun nieuwe verblijfplaats aan de minister door hebben kunnen geven. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de minister de overdrachtstermijn heeft mogen verlengen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. ECLI:NL:RVS:2025:4498.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

16 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M. den Dulk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?