ECLI:NL:RBDHA:2026:1802

ECLI:NL:RBDHA:2026:1802

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL25.28216
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Opvolgende asielaanvraag Kenia. Gestelde seksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht vanwege summiere en oppervlakkige verklaringen. Gestelde vrees daarom niet aannemelijk. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.28216

geboren op [datum] ,

van Keniaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R. Balkenende),

en

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zowel het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende asielaanvraag, als tegen de uiteindelijke afwijzing van deze aanvraag. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. Verder heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag, maar krijgt hij vergoeding van de proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 juni 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende asielaanvraag van 4 december 2023. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 september 2025 alsnog op de aanvraag beslist en deze afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft de rechtbank bericht het niet eens te zijn met het bestreden besluit. Het beroep niet tijdig beslissen ziet daarom van rechtswege ook op het alsnog genomen besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL25.46491).

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hij heeft eerder in 2017 in Nederland om asiel verzocht. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Kenia te vrezen heeft hij vanwege zijn seksuele gerichtheid. De minister heeft deze gerichtheid vanwege summiere en wisselende verklaringen niet geloofwaardig geacht en heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond bij besluit van 3 november 2019. Eisers beroep hiertegen is ongegrond verklaard door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 30 juni 2020. De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd. Het genoemde besluit staat daarom in rechte vast.

Aan de opvolgende asielaanvraag heeft eiser opnieuw zijn seksuele gerichtheid ten grondslag gelegd. Eiser heeft aangegeven dat hij in de eerste procedure niet voldoende kon verklaren, dat hij sindsdien twee serieuze relaties heeft gehad en dat hij actief is op een datingapp. Volgens eiser blijkt uit zijn gedrag dat hij leeft en zich identificeert als een homoseksuele man. Ter onderbouwing zijn zes verklaringen van derden overgelegd, een foto en twee schermafdrukken van een profiel op een datingapp.

De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en

de seksuele gerichtheid.

De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar niet zwaarwegend. De minister acht het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Volgens de minister is het daarom niet aannemelijk dat eiser in Kenia te vrezen heeft. De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat het een opvolgende aanvraag betreft die inhoudelijk is beoordeeld. Daarbij is het eerdere terugkeerbesluit herhaald en is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Op wat namens hem in beroep is aangevoerd gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat van belang is.

Heeft eiser belang bij een oordeel over het niet tijdig beslissen?

4. De rechtbank overweegt dat haar niet is gebleken dat eiser nog afzonderlijk belang heeft bij een oordeel over het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De bestuursrechtelijke dwangsom is uitgesloten in asielzaken. Verder is de minister aan dit deel van het beroep tegemoetgekomen doordat alsnog op de opvolgende asielaanvraag van eiser is beslist. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.

Heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten?

5. Eiser heeft samengevat aangevoerd dat de minister zijn seksuele gerichtheid ten onrechte niet geloofwaardig acht. Hij wijst op diverse verklaringen in het gehoor opvolgende aanvraag, waaruit volgens hem blijkt dat hij voldoende over zijn persoonlijke ervaringen, relaties en gevoelens heeft verklaard. Volgens eiser blijkt uit zijn verklaringen ook van identiteitsgroei. Daarnaast heeft eiser betoogd dat zijn verklaringen mede aannemelijk worden gemaakt door de verklaring van een COa-medewerker. De minister heeft deze (derden)verklaring, in strijd met de Werkinstructie (WI) 2019/17, ten onrechte niet als ondersteunend bewijs betrokken.

De rechtbank stelt voorop dat het zwaartepunt in de beoordeling in een zaak als deze ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt vanuit en over zijn eigen ervaringen met betrekking tot de gestelde seksuele gerichtheid. Gelet op de WI 2019/17 moet de minister de verklaringen van eiser in hun onderlinge samenhang en in het licht van de overige verklaringen en eventueel overgelegd bewijsmateriaal beoordelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daartoe heeft de minister allereerst mogen betrekken dat deze gerichtheid in de vorige asielprocedure van eiser ongeloofwaardig is geacht. In rechte staat vast dat eiser eerder wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij zich bewust werd van de gestelde seksuele gerichtheid, over het laatste contact met zijn vrouw en over een incident in 2016 waarbij eiser zou zijn opgepakt. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eisers verklaringen in de onderhavige procedure onvoldoende zijn om de seksuele gerichtheid nu wel geloofwaardig te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De minister heeft kunnen stellen dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relaties, en dat hij onvoldoende persoonlijke verklaringen heeft afgelegd over zijn ervaringen en gevoelens. Zo heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser summier heeft verklaard hoe zijn gevoelens voor [naam partner 1] zijn ontwikkeld, omdat eiser heeft verklaard dat dit spontaan ging en dat hij automatisch een relatie is aangegaan. Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser niet zeker weet waar [naam partner 1] is geboren en dat hij zijn achternaam niet heeft (kunnen) onthouden, terwijl eiser heeft verklaard dat hij twee jaar een relatie met [naam partner 1] heeft gehad en zij veel gesprekken hadden over hun thuislanden. Niet ten onrechte stelt de minister dat uit de verklaringen van eiser niet zonder meer blijkt van een romantische relatie. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat hij duidelijk heeft verklaard dat sprake was van een seksuele aantrekkingskracht en dat zij seks hadden, omdat dit niet wegneemt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over blijdschap, begrip, opluchting en gezamenlijke activiteiten. Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser summier heeft verklaard over zijn relatie met [naam partner 2], omdat eiser zijn verklaringen dat de relatie hem rust brengt en bijdraagt aan openheid over zijn gestelde seksuele gerichtheid verder niet inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat dit volgt uit zijn verklaringen dat [naam partner 2] hem geestelijk en emotioneel ondersteunt en dat zij toekomstplannen hebben om samen te wonen, omdat dit niet wegneemt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over blijdschap, rust en ondersteuning. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij gedetailleerder en authentieker kan verklaren over zijn gevoelens en de twee gestelde duurzame relaties. Het is namelijk aan eiser om de door hem gestelde vrees bij terugkeer naar Kenia, en daarmee de gestelde seksuele gerichtheid, aannemelijk te maken. Wat eiser hierover verder heeft aangevoerd maakt het oordeel niet anders. Eiser heeft niet met persoonlijke verklaringen inzichtelijk gemaakt wat de identiteitsgroei is die hij stelt doorgemaakt te hebben. Dat eiser heeft ontdekt dat het niet nodig is om zijn gestelde seksuele gerichtheid te verbergen, is geen persoonlijke of concrete beschrijving van een door hem doorgemaakte ontwikkeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. De minister heeft bovendien terecht gesteld dat eiser in de vorige procedure al vergelijkbaar heeft verklaard over acceptatie en openheid.

Verder heeft de minister kunnen stellen dat eisers verklaringen niet inzichtelijk maken welke rol zijn deelname aan samenkomsten van een lhbti-organisatie heeft gespeeld bij het accepteren van zichzelf. Daarnaar gevraagd heeft eiser in algemene zin verklaard dat het COC, dan wel Sandro Kortekaas (van LGBT+ Asylum Support, hierna LAS) hem heeft geholpen om zichzelf te accepteren en open te zijn. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat van eiser meer persoonlijke en inzichtelijke verklaringen mogen worden verwacht. Daartoe heeft de minister kunnen stellen dat eiser al jarenlang in Nederland verblijft en dat hij, naar gesteld, actief heeft deelgenomen aan bijeenkomsten van het COC, dan wel het LAS. In dit verband heeft de minister verder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij het gestelde lidmaatschap van een lhbti-organisatie niet heeft onderbouwd. Ook is, anders dan eiser zelf heeft verklaard, geen rapport overgelegd van een lhbti-organisatie. De minister heeft ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij blijkens zijn verklaringen geen andere belangenorganisaties dan het COC kent, en dat niet is gebleken dat eiser zich heeft ingespannen om zich te verdiepen in de positie of rechten van lhbti’s in Nederland. De minister heeft daarmee tegengeworpen dat eiser geen uitgebreide kennis heeft van de situatie in Nederland. Eiser heeft dit in beroep niet inhoudelijk betwist. Daartoe acht de rechtbank de toelichting van eiser op zitting, dat hij het LAS heeft aangezien voor het COC, onvoldoende. Hieruit blijkt namelijk niet dat eiser kennis heeft van andere belangenorganisaties.

Tot slot heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank de overgelegde foto’s en verklaringen van derden, onvoldoende kunnen achten om de gestelde seksuele gerichtheid geloofwaardig te achten. Ten aanzien van de stukken, met uitzondering van de verklaring van een COa-medewerker, heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat deze niet van een objectieve bron afkomstig zijn, zodat er daarom geen doorslaggevend belang aan wordt gehecht. Ook wordt met deze stukken geen feitelijke informatie toegevoegd aan het dossier van eiser. Eiser heeft dit in beroep niet inhoudelijk betwist. Hoewel de verklaring van de COa-medewerker wel feitelijke waarnemingen bevat van verbale en non-verbale affectie tussen eiser en een andere bewoner van het AZC, heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat onvoldoende positief gewicht aan de verklaring toekomt om de niet overtuigende verklaringen van eiser te compenseren. Daartoe heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de verklaring aangeeft dat de relatie met deze bewoner, volgens eiser [naam partner 1], naar schatting enkele maanden zou hebben geduurd, terwijl eiser heeft verklaard dat de relatie met [naam partner 1] 2 jaar heeft geduurd. De minister heeft bovendien niet ten onrechte gesteld dat het in eerste instantie aan eiser is om de gestelde seksuele gerichtheid met zijn eigen verklaringen aannemelijk te maken. Zoals volgt uit het voorgaande had van eiser mogen worden verwacht dat hij zelf concreter en persoonlijker kon verklaren met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid en relaties. De minister heeft daarom, in onderlinge samenhang bezien, aan de schriftelijke verklaring niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan wenst toe te kennen. De overige stellingen van eiser in dit verband, doen niet aan het voorgaande af.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft de minister eisers gestelde seksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister aan eiser een inreisverbod mogen opleggen. Eiser heeft dit niet afzonderlijk betwist.

7. De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser, gelet op overweging 4. De minister is met het alsnog nemen van een besluit op de opvolgende aanvraag tegemoetgekomen aan eisers beroep tegen het niet tijdig beslissen. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder is de rechtbank niet gebleken van kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?