RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46491
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn opvolgende aanvraag (zaaknummer NL25.28216). Met het bestreden besluit van 19 september 2025 heeft de minister alsnog op de aanvraag beslist en deze afgewezen als kennelijk ongegrond.
Daarbij is aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Verzoeker heeft bericht het niet eens te zijn met het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 januari 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van verzoeker. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoeker, en dat beroep ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu het beroep ongegrond is verklaard.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.