RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen
[naam], eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61388 en AWB25/23865
geboren op [geboortedatum],
Van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
evenals
(gemachtigde: P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Het COa heeft op 18 november 2025 besloten om eiser in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). De minister heeft bij besluit van 18 november 2025 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in artikel 56 van de Vw.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende.
Op 16 november 2025 heeft zich een incident voorgedaan op de COa-locatie in Den Helder. Eiser was in de wasruimte samen met andere bewoners. Daar is een gevecht ontstaan over het gebruik van de wasmachines. Eiser wil een wasmachine gebruiken die een andere bewoner (bewoner D) wilde gebruiken. Zij raken in discussie. Vervolgens duwt eiser bewoner D naar achteren, probeert hem naar de grond te duwen en hem uit de wasruimte te trekken. Eiser wordt hierbij ondersteund door een andere medebewoner (bewoner B). Eiser heeft bewoner D vervolgens vastgepakt en met zijn hoofd tegen de wasmachine geduwd. Een andere bewoner komt aangelopen en gaat in gesprek met eiser. Eiser vernielt vervolgens de wasmachine. Bewoner D slaat eiser in zijn gezicht. In reactie hierop blijft eiser dreigend tegenover bewoner D staan en schreeuwt hij iets. Eiser slaat bewoner D vervolgens in zijn gezicht. Bewoner D slaat eiser weer in het gezicht. Eiser pakt een stoel en slaat deze tegen de wasmachine aan en probeert bewoner D met de stoel te slaan. Een andere bewoner (bewoner C) probeert eiser tegen te houden. Bewoner D haalt op dat moment uit naar eiser en bewoner B mengt zich in het gevecht. In het gevecht houdt eiser bewoner D in een wurggreep vast. Een COa-medeweker komt ter plaatse en probeert de situatie te kalmeren, zonder resultaat. Vervolgens komt de beveiliging ter plaatse en haalt de vechtende bewoners uit elkaar. Eiser rent hierna achter bewoner D aan en heeft hem een trap in zijn rug. Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact, omdat het gaat om gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Eiser heeft volgens het COa agressie en geweld gebruikt tegen een medebewoner. Het COa heeft daarom HTL-plaatsing noodzakelijk geacht.
De verslaglegging
3. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Eisers stelling dat hij uit zelfverdediging handelde en dat de ander als eerste hem had geslagen maakt het oordeel niet anders. Dit alleen al gelet op het feit dat uit de verslaglegging blijkt dat eiser, ook na tussenkomst van de beveiligers de medebewoner, in zijn rug heeft getrapt. Eisers stelling dat hij de medebewoner ook niet heeft gewurgd en dat het woord verwurgen alleen in de verslaglegging terecht is gekomen omdat bij het opstellen van de tekst gebruik is gemaakt van redigerende AI volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij de medebewoner om zijn lichaam heeft vastgepakt. Daarmee staat voor de rechtbank voldoende vast dat eiser bewoner D langere tijd heeft vast gehouden. Dat nergens staat beschreven dat eiser bewoner D bij de keel heeft gegrepen met beide handen en op zijn keel heeft geduwd maakt dat niet anders. Daarbij komt dat eiser niet heeft ontkend dat hij naast het vasthouden van eiser ook heeft geslagen en getrapt. De rechtbank overweegt dat het herformuleren of redigeren van teksten bovendien niet onder het gebruikmaken van generatieve AI valt. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juli 2025 treft alleen daarom al geen doel. Het betreft geen vergelijkbare zaak.
Is sprake van vrijheidsontneming?
4. Het betoog van eiser dat sprake is van vrijheidsontneming volgt de rechtbank niet. De uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juli 2020 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 september 2024, waarin is geoordeeld dat in de HTL geen sprake is van vrijheidsontneming, is daaromtrent voldoende duidelijk. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt geen aanleiding voor een ander oordeel dan het oordeel van de Afdeling. De uitspraken en arresten waar eiser naar verwijst zijn van ver voor de uitspraak van de Afdeling en maken het oordeel niet anders. Dat aan eiser in het gesprek maatregelen is medegedeeld dat hij strafbaar handelt als hij zonder toestemming de HTL verlaat, maakt het oordeel ook niet anders. Eiser heeft op de zitting erkent dat hij bij binnenkomst op de HTL een rechten en plichten formulier heeft ondertekend in aanwezigheid van een tolk. Uit dit rechten en plichten formulier volgt volgens de rechtbank voldoende duidelijk dat eiser kon afzien van opvang en er dus voor kon kiezen om niet naar de HTL te gaan. Dat het onduidelijk is op welk moment dit aan eiser is medegedeeld volgt de rechtbank niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van het COa dat elke vreemdeling die op de HTL wordt geplaatst bij binnenkomst een rechten en plichten gesprek heeft waarin dit document wordt besproken en ondertekend.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het plaatsingsbesluit mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026 door mr.
H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.