RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen
[naam], eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63109 en AWB25/24526
geboren op [geboortedatum],
van onbekende nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
evenals
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Het COa heeft op 14 december 2025 besloten om eiser in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). De minister heeft bij besluit van 14 december 2025 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in artikel 56 van de Vw.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende.
Op 9 december 2025 heeft zich een incident voorgedaan op de COa-locatie in Amsterdam. Een medebewoner werd achterna gezeten door een groep mensen. Eiser heeft samen met twee andere bewoners tijdens dit incident herhaaldelijk tegen het gezicht van een medebewoner getrapt en sloeg de medebewoner met gebalde vuisten. De beveiligers kwamen tussen de vechtende bewoners en de politie werd ingeschakeld. Medewerkers van het COa hebben vervolgens de camerabeelden van het incident bekeken. Uit de camerabeelden is gebleken dat eiser de medebewoner hard in zijn zij trapte waardoor hij heen en weer wankelde. Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact omdat het gaat om gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Eiser heeft volgens het COa agressie en geweld gebruikt tegen een medebewoner. Het COa heeft daarom HTL-plaatsing noodzakelijk geacht.
Verslaglegging
3. De rechtbank stelt vast dat namens het COa op de zitting is toegelicht dat eiser alleen wordt tegengeworpen dat hij de medebewoner in zijn zij heeft getrapt. Eiser heeft dit op de zitting ook erkent. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet betrokken was bij het ontstaan van het incident. De rechtbank volgt eiser echter niet in de stelling dat hij handelde uit zelfverdediging. Uit de verslaglegging van het COa blijkt namelijk dat eiser vanuit een andere gang aan kwam lopen en de medebewoner in zijn zij trapte. Niet valt in te zien dat eiser zichzelf diende te verdedigen. De slaande bewegingen werden immers niet in zijn richting gemaakt. Ook blijkt uit de verslaglegging dat eiser actief in stapte in het gevecht. De rechtbank gaat gelet op het voorgaande uit van de verslaglegging van het COa.
Kwalificatie
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Van een incident met zeer grote impact is, zoals volgt uit het maatregelenbeleid, sprake wanneer het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Het gaat in het onderhavige geval om het toebrengen van ernstige fysieke schade door het schoppen in iemands zij. Dat eiser op het moment van het incident slippers zou hebben gedragen in plaats van schoenen doet aan de ernst van de gedraging niet af. Daarbij overweegt de rechtbank dat het gaat om de intentie van het gedrag en niet om het effect van het gedrag. Dat de medebewoner dus niet direct is gevallen of zichtbare lichamelijke schade heeft opgelopen doet dan ook niet af aan de ernst van het incident. Dat de medebewoner geen aangifte van het incident heeft gedaan leidt ook niet tot een andere conclusie. Het doen van aangifte is geen voorwaarde voor een HTL-plaatsing in het geval van een incident op de COa-locatie. Dat er vijf dagen tussen de plaatsing en het incident zitten doet geen afbreuk aan de ernst van het incident. Omdat er sprake is van een incident met zeer grote impact is één incident voldoende voor plaatsing op de HTL. Het COa heeft gelet op het voorgaande heeft het COa de kwalificatie van het incident voldoende deugdelijk gemotiveerd.
Onevenredige gevolgen plaatsingsbesluit
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa gelet op het voorgaande tot plaatsing op de HTL heeft kunnen beslissen. Eiser heeft ook geen belangen aangevoerd die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen.
Conclusie
6. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt daarom geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.