RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen
[naam], eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63125 en AWB25/24523
geboren op [geboortedatum],
van onbekende nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
evenals
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Het COa heeft op 15 december 2025 besloten om eiser in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). De minister heeft bij besluit van 15 december 2025 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in artikel 56 van de Vw.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende.
Op 9 december 2025 heeft zich een incident voorgedaan op de COa-locatie in Amsterdam. Een medebewoner werd achterna gezeten door een groep mensen. Eiser heeft samen met twee andere bewoners tijdens dit incident herhaaldelijk tegen het gezicht van een medebewoner getrapt en sloeg de medebewoner met gebalde vuisten. De beveiligers kwamen tussen de vechtende bewoners en de politie werd ingeschakeld. Medewerkers van het COa hebben vervolgens de camerabeelden van het incident bekeken. Uit de camerabeelden is gebleken dat eiser de medebewoner hard van achteren in de rug trapte waardoor hij op de grond viel. Toen de medebewoner op de grond lag trapte eiser hem in het gezicht en sloeg en schopte hij hem op het lichaam. Eiser bleef ook na tussenkomst van de beveiligers de medebewoner herhaaldelijk trappen richting het hoofd van de medebewoner. Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact omdat het gaat om gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Eiser heeft volgens het COa agressie en geweld gebruikt tegen een medebewoner. Het COa heeft daarom HTL-plaatsing noodzakelijk geacht.
Ingangsdatum plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel
3. Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser voert aan dat een plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel niet met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd. Het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel zijn gedateerd op 14 december 2025, maar het is niet duidelijk of de maatregel ook op die dag aan eiser zijn uitgereikt. Er zit namelijk ook een uitreikingsblad in het dossier van 15 december 2025.
De minister stelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel en het plaatsingsbesluit zijn uitgereikt aan eiser op 15 december 2025 en zijn gedateerd op 15 december 2025. Het besluit is opgemaakt en ondertekend op 14 december 2025 en eiser is ook gehoord op 14 december 2025. De minister stelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel en het plaatsingsbesluit in werking zijn getreden op 15 december 2025, de dag dat ze aan eiser zijn uitgereikt.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de omschrijving van de HTL-maatregel in hoofdstuk 4.3.6. van het Maatregelenbeleid, wordt de HTL-maatregel voor een bepaalde duur opgelegd. Dat is minimaal vier weken en maximaal twaalf weken (plus één intake-week). Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier uit dat het van belang is om te bepalen wanneer de plaatsing in de HTL is ingegaan. Voor eiser moet namelijk – ook vanuit het oogpunt van rechtszekerheid – op voorhand duidelijk zijn wanneer de maatregel uiterlijk eindigt. De ingangsdatum moet daarom blijken uit het besluit, en dat is hier niet het geval. Dit omdat het plaatsingsbesluit dateert van 15 december 2025 en de vrijheidsbeperkende maatregel is gedateerd op 14 december 2025 en bovendien verwijst naar een HTL-maatregel die zou dateren van 14 januari 2025. Het is daarbij onduidelijk gebleven op welke datum eiser de vrijheidsbeperkende maatregel heeft ondertekend. In het dossier bevindt zich hiernaast nog een bericht van een medewerker van de IND aan een gemachtigde van eiser waaruit volgt dat de vrijheidsbeperkende maatregel op 14 december 2025 aan eiser is opgelegd. Uit het voorgaande volgt dat het niet duidelijk is op welke datum het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel daadwerkelijk aan eiser zijn opgelegd. De rechtbank volgt dan ook niet dat voldoende duidelijk is dat de vrijheidsbeperkende maatregel op 15 december 2025 aan eiser is opgelegd.
De rechtbank overweegt verder dat het des te meer van belang is om de ingangsdatum van de plaatsing in de HTL op te nemen in het de vrijheidsbeperkende maatregel. De vrijheidsbeperkende maatregel moet waarborgen bevatten, zoals voorwaarden voor het opleggen van de maatregel, de maximale duur van de maatregel en de mogelijkheid de oplegging en voortduring van de maatregel door een rechter te laten toetsen. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. In dat verband is dus ook van belang dat duidelijk is wanneer de vrijheidsbeperkende maatregel is ingegaan – ook omdat aan de vrijheidsbeperkende maatregel zelf geen maximale wettelijke termijn is verbonden. Nog daargelaten dat het bevreemding wekt dat in de vrijheidsbeperkende maatregel wordt verwezen naar een plaatsingsbesluit van 14 december 2025. De rechtbank volgt gelet op het voorgaande, de minister niet in de stelling dat in de datum sprake is van een kennelijke verschrijving.
4. De beroepen gericht tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel zijn gegrond.
5. Gelet op de gegrondverklaring van de beroepen behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie
6. De rechtbank gaat er verder vanuit dat sprake is van een beperking in de bewegingsvrijheid die immateriële schade tot gevolg heeft. Die schade is geringer dan bij een vrijheidsontnemende maatregel. Hiervan uitgaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiser immateriële schade heeft geleden van € 1.855,00 (€ 35,- per dag) nu hij ten onrechte gedurende drieënvijftig dagen, namelijk van 13 december 2025 tot en met 3 februari 2026 (heden), in zijn bewegingsvrijheid is beperkt. De Staat der Nederlanden moet dit bedrag aan eiser vergoeden.
De rechtbank ziet verder aanleiding om het COa en de minister ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van€ 934,00 en wegingsfactor 1). De rechtbank is van oordeel dat beide beroepen als samenhangend moeten worden gezien, als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026 door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.