RECHTBANK DEN HAAG
[naam], eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63116 en AWB25/24522
Proces verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaken tussen
geboren op [geboortedatum],
van onbekende nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
evenals
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Het COa heeft op 14 december 2025 besloten om eiser in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). De minister heeft bij besluit van 14 december 2025 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in artikel 56 van de Vw.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 9 december 2025 heeft zich een incident voorgedaan op de COa-locatie in Amsterdam. Een medebewoner werd achterna gezeten door een groep mensen. Eiser heeft samen met twee andere bewoners tijdens dit incident herhaaldelijk tegen het gezicht van de medebewoner getrapt en sloeg de medebewoner met gebalde vuisten. De beveiligers kwamen tussen de vechtende bewoners en de politie werd ingeschakeld. Medewerkers van het COa hebben vervolgens de camerabeelden van het incident bekeken. Uit de camerabeelden is gebleken dat eiser toen de medebewoner op de grond lag herhaaldelijk met gebalde vuisten op het hoofd en lichaam van de medebewoner heeft geslagen. Ook heeft eiser de medebewoner herhaaldelijk in het gezicht getrapt, op het lichaam geslagen en geschopt. Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact, omdat het gaat om gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Eiser heeft volgens het COa agressie en geweld gebruikt tegen een medebewoner. Het COa heeft daarom HTL-plaatsing noodzakelijk geacht.
Verslaglegging
4. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De rechtbank volgt het COa in het standpunt dat zij alleen kunnen opschrijven wat ze waarnemen. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat hij de-escalerend wilde optreden. Uit de verslaglegging van het COa blijkt namelijk dat eiser, toen de medebewoner op de grond lag, op hem schopte en op zijn hoofd en lichaam bleef slaan met gebalde vuisten. Dit geeft geen blijk van een de-escalerende houding. Dat eiser ten onrechte wordt gezien als (mede)aanstichter volgt de rechtbank dan ook niet. Het COa heeft niet tegengeworpen aan eiser dat hij met een ijzeren staaf zou hebben geslagen. De rechtbank gaat uit van de verslaglegging van het COa.
Kwalificatie
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Van een incident met zeer grote impact is, zoals volgt uit het maatregelenbeleid, sprake wanneer het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. In het geval van eiser gaat het om het schoppen en slaan van een medebewoner tegen zijn hoofd en lichaam. Het incident is daarom door het COa terecht aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Dat de medebewoner onder invloed was van alcohol maakt het voorgaande niet anders. Het gedrag van eiser wordt hierdoor namelijk niet minder ernstig. Daarnaast maakt ook de stelling van eiser dat de medebewoner een ijzeren staaf vast had en pepperspray gebruikte het voorgaande niet anders. Ook dit doet namelijk geen afbreuk aan het gedrag van eiser. Dat de medebewoner geen aangifte van het incident heeft gedaan leidt de rechtbank ook niet tot een andere conclusie. Het wel of niet aangifte doen doet ook niet af aan de ernst van het incident en is geen voorwaarde voor een HTL-plaatsing. Dat er vijf dagen tussen de plaatsing en het incident zitten doet ook geen afbreuk aan de ernst van het incident. Omdat er sprake is van een incident met zeer grote impact is één incident voldoende voor plaatsing op de HTL. Gelet op het voorgaande heeft het COa de kwalificatie van het incident voldoende deugdelijk gemotiveerd.
Onevenredige gevolgen plaatsingsbesluit
6. De rechtbank is van oordeel dat het COa gelet op het voorgaande tot plaatsing op de HTL heeft kunnen beslissen. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat zijn kinderen inmiddels naar Nederland zijn gekomen. De rechtbank overweegt dat dit niet maakt dat het COa van plaatsing af moest zien of dat de minister geen vrijheidsbeperkende maatregel op kon leggen. Het staat eiser vrij om ontheffing te vragen of om te verzoeken of hij bezoek kan ontvangen in de HTL.
Conclusie
7. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en dat de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026 door mr.
H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.