[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op dit verzoek wordt apart beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M. Pater als waarnemer voor de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De rechtbank stelt vast dat er nog geen claimakkoord lag ten tijde van het uitbrengen van het voornemen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van onzorgvuldig handelen of dat eiser in zijn belangen is geschaad. De rechtbank stelt voorop dat er geen rechtsregel is die zich verzet tegen het uitbrengen van een voornemen voordat er een claimakkoord is. De rechtbank acht verder van belang dat er voor het uitbrengen van het bestreden besluit een claimakkoord was en dat eiser de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze hierover in te brengen.
4. De rechtbank volgt eiser verder niet in de stelling dat uit de claimverzoeken blijkt dat Duitsland eiser niet wil terugnemen. Uit de stukken blijkt duidelijk waarom Duitsland het claimverzoek heeft afgewezen, namelijk omdat er te weinig informatie beschikbaar was. De minister heeft daarom aanleiding kunnen zien om een informatieverzoek in te dienen bij de Oostenrijkse autoriteiten en uit het claimakkoord van 17 oktober 2025 volgt dat de Duitse autoriteiten akkoord zijn gegaan met het terugnemen van eiser. Dat de minister niet meerdere claim-/informatieverzoeken heeft kunnen indienen wordt dan ook niet gevolgd.
5. De rechtbank overweegt verder dat de minister in beginsel voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025.Het AIDA-rapport waarnaar eiser verwijst, toont geen wezenlijk ander beeld dan het AIDA-rapport over Duitsland van april 2023 (update 2022), dat door de Afdeling in de voornoemde uitspraak is betrokken. Ook de door eiser in de zienswijze aangehaalde NOS-artikelen geven geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling, nu deze artikelen betrekking hebben op asielzoekers die naar Duitsland komen en niet op de situatie van Dublin-terugkeerders zoals eiser. De minister heeft daarnaast in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat de Duitse asielprocedure, waaronder de rechtsbijstand, voldoet aan de Procedurerichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar de Afdelingsuitspraak van 14 februari 2025 waaruit volgt dat, hoewel een vreemdeling in Duitsland alleen kosteloze rechtsbijstand krijgt als een beroep een reƫle kans van slagen heeft, artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn deze mogelijkheid biedt aan lidstaten. Een procedure over de kosteloze rechtsbijstand mag volgens die bepaling niet de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren. Als de vreemdeling vindt dat de toegang tot de rechtsbijstand niet goed is, dan kan hij hierover procederen in Duitsland. Niet is gebleken dat eiser hierover heeft geklaagd.
6. Daarnaast is de rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De door eiser aangehaalde bronnen zijn door de minister voldoende betrokken bij de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank stelt vast dat eiser geen verdere ervaringen of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
7. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen aanleiding bestaat om aanvullende garanties te vragen aan de Duitse autoriteiten. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen adequate opvang of zorg kan krijgen in Duitsland. Zoals hiervoor geoordeeld kan ten aanzien van Duitsland uit worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is het aan eiser bij de Duitse autoriteiten te klagen wanneer hij problemen ervaart met de opvang in Duitsland.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026 door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.