RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3321
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 27 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. In het geval van eiser houdt dit in dat de bewaring over de periode van 18 januari 2026 tot het moment van opheffen van de maatregel van bewaring op
27 januari 2026 voorligt.
Mocht de minister de maatregel van bewaring baseren op het terugkeerbesluit van 7 november 2025?
2. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 7 november 2025, dat ten grondslag ligt aan deze maatregel, onrechtmatig is. Ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit was eiser niet in Nederland en dat was de minister ook bekend, waardoor hem geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Eiser verwijst hierbij naar artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn). De maatregel is derhalve onrechtmatig aan eiser opgelegd.
De rechtbank kan in het kader van de maatregel van bewaring alleen beoordelen of het terugkeerbesluit voldoet aan de vereisten die volgen uit het arrest FMS van het Hof van Justitie en of dit op de juiste wijze aan eiser is bekendgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. In het terugkeerbesluit heeft de minister vastgesteld dat eiser niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft, doordat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De minister was daarom ook op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Daarnaast is aan eiser bij dit besluit een terugkeerverplichting opgelegd (waarbij hem een vertrektermijn is gegeven van nul dagen) en vermeldt het terugkeerbesluit Marokko als land van terugkeer. Nu aan deze vereisten is voldaan heeft de minister deze maatregel van bewaring kunnen baseren op het terugkeerbesluit van 7 november 2025. De omstandigheid dat eiser op het moment van het opleggen van het terugkeerbesluit (mogelijk) niet in Nederland verbleef, is in deze procedure niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft zware grond 3a betwist. Eiser heeft aangevoerd dat de minister zware grond 3a niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen, omdat hij asiel in Nederland heeft aangevraagd.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden 3b en 3c feitelijk juist. De zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser op 10 september 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Hiermee heeft hij zich enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Verder is zware grond 3c feitelijk juist, omdat aan eiser op
7 november 2025 een terugkeerbesluit is opgelegd, waarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moest verlaten. Eiser is desondanks in Nederland gebleven.
Zware gronden 3b en 3c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, te kunnen dragen. De rechtbank zal de betwiste grond daarom niet bespreken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan het opheffen daarvan onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.