ECLI:NL:RBDHA:2026:1820

ECLI:NL:RBDHA:2026:1820

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer NL25.52027
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel, Afghanistan, vrees voor Taliban, afgeleide asielvergunning, pleegkind, feitelijke gezinsband, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.52027

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en de afwijzing van de afgeleide asielvergunning van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De minister heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een afgeleide verblijfsvergunning. De rechtbank is wel van oordeel dat de minister de zelfstandige asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij is van Afghaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft, na vragen van de rechtbank, gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Eiser heeft geen toekomst meer in Afghanistan nu de Taliban aan de macht is. Hij wil graag naar school, maar hij is het niet eens met de lesstof van de Taliban. Bij terugkeer vreest eiser voor de Taliban, omdat kinderen die op school zitten kunnen worden meegenomen door de Taliban.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister één asielmotief, namelijk de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Dit asielmotief vindt de minister geloofwaardig. Eiser heeft volgens de minister echter niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loop op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser maakt ook geen sprake op een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 of een vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.

Loopt eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000?

5. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het niet aannemelijk is dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Primair vindt eiser dat de minister in dit kader ten onrechte alleen heeft beoordeeld of hij vanwege de terugkeer uit een Westers land in Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2024 volgt namelijk dat de minister bij deze beoordeling alle relevante individuele factoren die die vreemdeling heeft aangedragen in onderlinge samenhang moet bezien. Dit heeft de minister volgens eiser niet gedaan. Subsidiair vindt eiser dat de minister de overige individuele omstandigheden onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Het gaat daarbij om de afwijkende religieuze en maatschappelijke opvattingen die eiser heeft ten opzichte van de Taliban en om het feit dat eiser zijn oom heeft geholpen bij zijn werkzaamheden voor een Portugese NGO. Hoewel deze omstandigheden niet de reden van het vertrek van eiser uit Afghanistan zijn geweest, moeten deze omstandigheden wel worden betrokken bij de beoordeling of eiser bij terugkeer het risico loopt om in de negatieve aandacht van de Taliban te komen te staan. Ter onderbouwing van zijn werkzaamheden voor de NGO heeft eiser een brief overgelegd van de NGO die is opgesteld door één van zijn ooms. Ook heeft eiser beeldmateriaal overgelegd dat geplaatst zou zijn op het openbare Instagramaccount van de NGO. Uit een rapport van de UNHCR over Afghanistan van september 2025 blijkt dat de feitelijke autoriteiten sociale media monitoren en routinematige de telefoons van individuen doorzoeken op kritisch commentaar. Bovendien zijn veel mensen getuige geweest van eisers werkzaamheden voor de NGO. Ook zouden veel mensen hebben gezien dat één van zijn ooms tijdens het verrichten van werkzaamheden voor de NGO door de Taliban is opgepakt.

De rechtbank overweegt allereerst dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 volgt dat uit informatie uit openbare bronnen niet blijkt dat vreemdelingen die in een Westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als een groep die een reëel risico op ernstige schade loopt wegens dat verblijf in het Westen. Het is aan de vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico bestaat op ernstige schade.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn individuele omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft niet alleen betrokken of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt omdat hij terugkeert uit het Westen, maar de minister heeft ook de door eiser gestelde afwijkende opvattingen en gestelde werkzaamheden voor de Portugese NGO betrokken. De minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangegeven op welke sociale media deze foto’s zijn geplaatst, hoe deze foto’s door de Taliban zouden zijn gezien en hoe deze foto’s naar eiser terug te herleiden zijn. In beroep heeft eiser weliswaar alsnog een Instagramaccount genoemd waarop de foto’s te zien zijn, maar de minister heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat op dit account geen foto’s van eiser staan. Ook heeft dit account voor het laatst in 2023 gepost en slechts 800 volgers. Dit heeft eiser niet bestreden. Wat betreft de afwijkende religieuze en maatschappelijke opvattingen ten opzichte van de Taliban heeft de minister overwogen dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom eiser zich niet kan voegen naar de sociale-culturele normen en waarden die in Afghanistan gelden. Eiser heeft hier in het gehoor namelijk zeer summier over verklaard. Hij heeft enkel verklaard dat hij vrij wil zijn en niet onder strenge regels wil leven. Dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan deze individuele omstandigheden, of dat deze niet in onderlinge samenhang gewogen zijn, volgt de rechtbank dan ook niet.

Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser geen recht heeft op een afgeleide verblijfsvergunning?

6. Eiser stelt dat de minister niet deugdelijk heeft getoetst of eiser als pleegkind van zijn tante in aanmerking komt voor een afgeleide asielvergunning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De minister heeft namelijk getoetst aan de voorwaarden van artikel 8 van het EVRM, terwijl bij de vraag of iemand recht heeft op een afgeleide verblijfsvergunning beoordeeld moet worden of iemand feitelijk tot het gezin behoort van de vreemdeling aan wie een beschermingsstatus is verleend. Eiser is namelijk van mening dat hij als pleegkind van zijn tante kan worden aangemerkt. Uit zijn verklaringen en die van zijn overige familieleden kan namelijk niets anders worden afgeleid dan dat hij als pleegkind is opgenomen in het gezin van zijn tante en oma. Hij heeft al sinds zijn twaalfde met hen samengewoond in Afghanistan, Pakistan, Portugal en Nederland. Ook heeft de minister al op de zitting in de Dublinprocedure van zijn oma en tante het standpunt ingenomen dat sprake is van pleegouderschap. De minister kan in deze procedure niet volstaan met de opmerking dat dit standpunt slechts “abusievelijk” is ingenomen en dat er destijds niet getoetst is of daadwerkelijk sprake is van pleegouderschap. Verder sluit de omstandigheid dat de biologische ouders nog in leven zijn, dat daarmee frequent contact wordt onderhouden en dat zij nog het gezag hebben, op geen enkele manier uit dat eiser niet als pleegkind kan worden aangemerkt.

De minister heeft in het verweerschrift erkend dat in het besluit niet kenbaar is getoetst aan artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De minister meent echter dat eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleide asielvergunning. Er is volgens de minister namelijk geen sprake van een feitelijke gezinsband. Eiser heeft volgens zijn eigen verklaringen vanaf zijn twaalfde levensjaar tot zijn meerderjarigheid ingewoond bij zijn oma en tante. Deze situatie was deels ingegeven door eisers goede band met zijn oma en deels uit praktische overwegingen van de ouders van eiser zodat hij zijn oma kon helpen. De ouders van eiser zijn echter altijd betrokken gebleven bij de zorg en opvoeding. Zij woonden niet ver weg, kwamen wekelijks of vaker op bezoek bij eiser en droegen ook financieel bij door het geven van zakgeld en kleding. De voogdij is niet formeel overgedragen. Eiser heeft verder verklaard gewend te zijn aan het wonen met zijn oma en tante, maar ook dat hij zijn ouders ook waardeert en dat het zijn wens is om in Nederland met hen en zijn broers en zussen herenigd te worden. Hieruit volgt volgens de minister dat hoewel eiser is verzorgd door zijn oma en tante, hij desondanks tot het kerngezin van zijn ouders is blijven behoren. Voor zover er al vanuit gegaan zou moeten worden dat op het eerste peilmoment wél sprake was van een feitelijke gezinsband, was deze er volgens de minister ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet meer. Eiser heeft namelijk aangegeven zijn tante en oma niet te willen volgen naar Portugal, maar liever zonder hen in Nederland wil blijven. Bovendien heeft eiser aangegeven dat hij nu wijzer is en dat hij geen zorg meer nodig heeft. Hij leest zijn post, gaat zelf naar doktersafspraken en wast zelf zijn kleding. Ook is eiser niet meer financieel afhankelijk van zijn oma en tante.

Omdat in het bestreden besluit niet kenbaar is getoetst aan artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kent het een motiveringsgebrek en wordt het bestreden besluit vernietigd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister in zijn verweerschrift en tijdens de zitting alsnog onvoldoende heeft gemotiveerd waarom tussen eiser en zijn tante geen feitelijke gezinsband (meer) bestaat.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 volgt dat de minister een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan verlenen aan de gezinsleden die op het tijdstip van binnenkomst van een referent behoorden tot diens gezin. Hiertoe behoren volgens paragraaf C1/4.1.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 ook pleegkinderen. Bij de beoordeling of het pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, betrekt de IND:

de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders;

de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;

de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent;

in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; en

of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen.

In de uitspraak van 20 november 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister een nareisaanvraag mag afwijzen als er op het eerste peilmoment, het moment van de inreis van de referent, geen feitelijke gezinsband is tussen een vreemdeling en die referent. Bestaat er op het moment van inreis wel een feitelijk gezinsband, dan beoordeelt de minister in nareiszaken vervolgens ook nog of op het moment van het nemen van het besluit op de nareisaanvraag de feitelijke gezinsband aanwezig was.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat op het eerste peilmoment geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en zijn tante. De minister heeft in zowel het verweerschrift als op de zitting aangegeven uit te gaan van het geschetste feitencomplex. Dit betekent dat de minister er ook van uit gaat dat eiser sinds zijn twaalfde bij zijn tante en oma heeft gewoond en dat zijn tante voor hem zorgde. Hoewel de biologische ouders van eiser hem in Afghanistan wekelijks bezochten en daarbij af en toe zakgeld of kleding meebrachten, waren zij niet verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg en opvoeding van eiser. Daar komt bij dat de minister ook niet voldoende kenbaar heeft betrokken dat eiser met zijn tante naar Pakistan is vertrokken en daar een jaar heeft verbleven. Vervolgens zijn zij samen via Portugal Nederland ingereisd en hebben zij hier zelfstandig een asielaanvraag ingediend. Eiser was in die periode dus ook in zeer sterke mate (financieel) afhankelijk van zijn tante en zij was toen ook verantwoordelijk voor de zorg en de opvoeding van eiser. De minister heeft dit onvoldoende onderkend. De minister hecht naar het oordeel van de rechtbank ook ten onrechte te veel waarde aan de verklaring van eiser in zijn aanmeldgehoor AMV dat hij zijn oma en tante niet zou willen volgen naar Portugal. Los van de vraag in hoeverre dit iets kan zeggen over feitelijke gezinsband tussen eiser en zijn tante, zoals die bestond op het moment van inreis, heeft eiser vlak daarna in ditzelfde aanmeldgehoor verklaard te twijfelen aan zijn antwoord over het feit dat hij in Nederland wil blijven. Hij heeft namelijk ook verklaard zijn oma en tante niet alleen te willen laten vertrekken naar Portugal en dat hij het liefst met zijn drieën in Nederland wil blijven.

Voor zover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat ook als wel een feitelijke gezinsband bestond op het moment van binnenkomst in Nederland, deze op het moment van het nemen van de beslissing niet meer bestond, is dat ook onvoldoende gemotiveerd. Eiser was op het tweede peilmoment namelijk niet meer minderjarig, maar meerderjarig. Het is echter onduidelijk welk toetsingskader de minister heeft gebruikt bij de beoordeling of ook op het tweede peilmoment een feitelijke gezinsband bestond tussen eiser en zijn tante.

Overige beroepsgronden

7. Omdat het beroep gegrond is en daaruit voortvloeit dat de minister opnieuw moet beoordelen of eiser recht heeft op een afgeleide verblijfsvergunning, bestaat er geen aanleiding om de beroepsgrond over de vraag of eiser recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te bespreken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Hoewel de minister de zelfstandige asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, heeft de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Dat betekent dat de minister daarover een nieuw besluit moet nemen. De rechtbank geeft de minister daarvoor een termijn van 8 weken.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op om binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. van Harten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?