ECLI:NL:RBDHA:2026:1823

ECLI:NL:RBDHA:2026:1823

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer NL25.45530
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

WI 2024/6 in strijd met Unierecht. Betoog van eiser dat documenten zijn overgelegd en dat artikel 31, zesde lid, van de Vw daarom niet van toepassing is, slaagt niet. Problemen met Al-Shabaab door werkzaamheden NGO ( de SFA) ongeloofwaardig geacht. Geen gegronde vrees voor vervolging en/of gericht geweld.

Uitspraak

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. Lohmann-Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag af te wijzen in stand kan blijven. Het door de minister gehanteerde beleid is niet in strijd met het Unierecht. Verder heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn problemen in Somalië met Al-Shabaab vanwege zijn werkzaamheden voor de Somali Farmer Association (SFA). Tot slot heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Eiser heeft op 9 november 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2025 afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Hawiye Murursade bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft verklaard dat hij sinds 2015 werkzaamheden voor de SFA heeft verricht. Op 29 augustus 2023 zou eiser een training geven op een boerderij in de plaats [plaats]. Deze boerderij is vlak voor aanvang van de cursus getroffen door twee bommen. Eiser vermoedt dat Al-Shabaab achter deze aanslag zit, mede doordat Al-Shabaab de aanslag telefonisch bij zijn werkgever zou hebben opgeëist. Eiser bleef ongedeerd en keerde terug naar zijn woonplaats [woonplaats], waarna hij een week later Somalië heeft verlaten. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab vermoord te worden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen met Al-Shabaab vanwege eisers werkzaamheden voor de Somali Farmers Association.

De minister heeft de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeeld aan de hand van werkinstructie (WI) 2024/6. De minister acht de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen van eiser met Al-Shabaab vanwege zijn werkzaamheden voor de SFA acht de minister ongeloofwaardig. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen daarover niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen in de zin van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet onverwijld ingediend in de zin van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een gegronde vrees heeft voor vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade.

Is het beoordelingskader in strijd met het Unierecht?

5. Eiser betoogt dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst in dit verband onder meer naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld. Het beleid van de minister in WI 2024/6 waaruit volgt dat artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 van toepassing is, indien de asielmotieven niet volledig zijn onderbouwd met controleerbare, originele en objectieve documenten, vindt volgens eiser geen steun in de wet. Het in artikel 31, zesde lid, van de Vw neergelegde beoordelingskader is van toepassing indien geen authentieke documenten zijn overgelegd maar wel andere bewijsstukken. Het beoordelingskader van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn is slechts van toepassing indien bewijsmateriaal in het geheel ontbreekt. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervoor ook naar de andere taalversies van de Kwalificatierichtlijn waaruit overduidelijk blijkt dat onder ‘bewijsmateriaal’ meer moet worden begrepen dan enkel authentieke documenten. Nu eiser wél documenten heeft overgelegd om zijn verklaringen te onderbouwen, is de geloofwaardigheid van eisers verklaringen ten onrechte beoordeeld aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.

De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De overgelegde documenten in relatie tot artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000

6. Gezien het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, buiten toepassing moet blijven omdat hij documenten heeft overgelegd. Volgens het beleid van de minister is het enkel overleggen van documenten niet doorslaggevend, bepalend is of deze documenten de verklaringen van eiser op objectieve, verifieerbare en specifieke wijze onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielmotieven niet met authentieke/objectieve documenten heeft onderbouwd. De minister heeft zich ten aanzien van de overgelegde documenten, waaronder documenten van de Criminal Investigation Division (CID), de SFA, de brief van de Wageningen University en de getuigenverklaring, terecht op het standpunt gesteld dat deze niet de kern van eisers asielrelaas onderbouwen. De documenten zien niet op het plaatsvinden van de bomaanslag van 29 augustus 2023 of het opeisen daarvan door Al-Shabaab. De overgelegde foto’s zijn ook niet te herleiden tot de door eiser gestelde gebeurtenissen. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser de problemen met Al-Shabaab niet (volledig) met bewijsmateriaal heeft onderbouwd. De minister heeft daarom overeenkomstig WI 2024/6 beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden om hem het voordeel van de twijfel te geven. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Acht de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig?

7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn verklaringen over de problemen met Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser kan niet worden tegengeworpen dat hij het motief voor de aanslag niet concreet heeft onderbouwd, nu dit ziet op de intentie van de dader(s), waar eiser geen inzicht in kan hebben. Ook heeft de minister miskend dat eiser, onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Somalië van juni 2023 en het geldende beleid waarin medewerkers van NGO’s als risicogroep worden aangemerkt, wel degelijk heeft toegelicht waarom hij een verhoogd risico liep. Daarnaast heeft de minister het bestaan van de SFA ten onrechte in twijfel getrokken, terwijl eiser een getekende werkgeversverklaring, een document waaruit zijn aanstelling als vicevoorzitter blijkt en een brief van de Wageningen University van 31 mei 2018 aan de SFA heeft overgelegd. Ook heeft de minister eiser ten onrechte tegengeworpen dat zijn verklaringen over de telefonische bedreigingen wisselend zijn geweest, terwijl uit het nader gehoor blijkt dat sprake was van twee afzonderlijke telefoontjes. Tot slot heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser overgelegde documenten die zien op het plaatsvinden van de bomaanslag van 29 augustus 2023 niet bijdragen aan de aannemelijkheid van zijn relaas. Zo staat de aanslag expliciet vermeld in de verklaring van de CID van 5 oktober 2025 en in die van de SFA van 5 september 2023. Ook heeft eiser foto’s overgelegd waarop de door de explosies aangerichte schade is te zien en een getuigenverklaring van 20 september 2025.

De rechtbank is van oordeel de minister zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn gestelde problemen met Al-Shabaab. De minister heeft eiser daarbij mogen tegenwerpen dat eiser onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat de bomaanslag van 29 augustus 2023 persoonlijk tegen hem was gericht. Zijn verklaring berust hoofdzakelijk op zijn aanwezigheid ter plaatse, de vermeende verspreiding van folders en de veronderstelling dat Al-Shabaab via berichten van de training op de hoogte zou zijn, zonder dit feitelijk te onderbouwen. Dat de SFA-activiteiten via sociale media zouden zijn aangekondigd, is door eiser niet concreet gemaakt en wordt bovendien weersproken door zijn eigen verklaring dat de betreffende training vooraf niet op sociale media is gedeeld. Daarnaast heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop Al-Shabaab telefonisch contact zou hebben opgenomen met de SFA, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Eiser heeft hier namelijk eerst over verklaard dat Al-Shabaab contact heeft opgenomen met de SFA in verband met een latere aanslag op een collega, terwijl eiser later (pas) heeft verklaard dat Al-Shabaab ook telefonisch contact met de SFA heeft opgenomen naar aanleiding van de aanslag van 29 augustus 2023 waar eiser het doelwit zou zijn geweest. Ook heeft de minister mogen betrekken dat eiser sinds 2015 voor de SFA werkt zonder eerder problemen te hebben ondervonden, zodat niet inzichtelijk is waarom hij juist op 23 augustus 2023 doelwit zou zijn geworden. Verder heeft de minister bij de beoordeling mogen betrekken dat eiser niet weet of en in hoeverre er een onderzoek heeft plaatsgevonden naar de bomaanslag van 29 augustus 2023, terwijl dit de kern van zijn asielrelaas vormt. Dat eiser pas geruime tijd later een verklaring van de CID heeft overgelegd, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Voorts heeft de minister op goede gronden geconcludeerd dat de door eiser overgelegde documenten van de CID, de SFA en de getuigenverklaring en foto’s, geen objectieve en verifieerbare onderbouwing vormen. Het gaat om kopieën en om afbeeldingen die niet herleidbaar zijn tot de gestelde aanslag of tot het opeisen daarvan door Al-Shabaab. Ten aanzien van het door eiser gestelde bestaan van de SFA is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser dit bestaan onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat het, gelet op aard en omvang van de door eiser gestelde organisatie en zijn eigen rol als vicevoorzitter daarin, verwacht mocht worden dat over deze organisatie/ngo meer informatie in openbare beschikbaar zou zijn dan uitsluiten via sociale media. Ten slotte heeft de minister eiser ook mogen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend, nu hij op 8 september 2023 Nederland is ingereisd en zich pas op 7 november 2023 voor asiel heeft gemeld. Dat eiser niet wist waar hij een asielaanvraag kon indienen is geen verschoonbare reden. Nu eiser het asielmotief niet volledig met documenten heeft onderbouwd, en de minister terecht stelt dat niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw 2000, hoefde de minister niet te volgen dat eiser problemen heeft gehad met Al-Shabaab vanwege zijn werkzaamheden voor de SFA. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is er sprake van een gegronde vrees voor vervolging en/of een reëel risico op ernstige schade?

8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees heeft voor vervolging en/of geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser verwijst naar pagina 20 het ambtsbericht over Somalië van juni 2023, waaruit blijkt dat hij als medewerker van een NGO het risico loopt op gericht geweld.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het op grond van paragraaf C7/30.3.2.1. en C7/30.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij als medewerker van een NGO te vrezen heeft voor gericht geweld. Onder 7.1. heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab vanwege zijn werkzaamheden voor de SFA ongeloofwaardig zijn. Daarnaast is niet gebleken dat eiser persoonlijk doelwit was van Al-Shabaab. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een gegronde vrees heeft voor vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?