ECLI:NL:RBDHA:2026:1827

ECLI:NL:RBDHA:2026:1827

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer NL24.16590
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

BZ derdelander Oekraïne – beroep ongegrond – wel PKV.

Uitspraak

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).

Inleiding

In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.

Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 8 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.

Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.

2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.

3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het vervangende besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Daarbij verwijst eiser naar het arrest van het HvJ EU, in de zaak Kaduna en Abkez en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836). Uit voormelde uitspraken volgt dat de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 mocht worden beëindigd, maar dat geen terugkeerbesluit mag worden uitgevaardigd zolang sprake is van rechtmatig verblijf. Verweerder heeft zelf aangegeven dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming feitelijk was bevroren in afwachting van de einduitspraken van de nationale rechter en een daaropvolgende voorbereidingstijd. Daardoor hield eiser ook na 4 maart 2024 rechtmatig verblijf en mocht tegen hem geen terugkeerbesluit worden genomen. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445).

Daarnaast heeft in het terugkeerbesluit ten onrechte geen toetsing aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) plaatsgevonden, terwijl uit het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647, in de zaak Adrar) volgt dat hieraan altijd, zo nodig ambtshalve, moet worden getoetst. Tot slot meent eiser dat verweerder artikel 8 van het EVRM onvoldoende heeft betrokken bij zijn beoordeling, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom zijn in Nederland opgebouwde privéleven, waaronder zijn arbeidsverleden, niet tot een ander oordeel heeft geleid.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. Eiser beschikte op dat moment niet over een verblijfsvergunning en had geen lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel levert volgens verweerder geen rechtmatig verblijf op en staat daarom niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Daarnaast bestond geen aanleiding voor nader onderzoek in het kader van artikel 3 van het EVRM, omdat eisers asielaanvraag bij besluit van 1 juni 2023 buiten behandeling is gesteld. Het besluit is in rechte vast komen te staan, nu eiser geen rechtsmiddelen hiertegen heeft aangewend. In dat geval mag volgens verweerder worden aangenomen dat eiser geen behoefte meer heeft aan internationale bescherming. Niet is gebleken van zwaarwegende en gegronde redenen als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zodat geen aanleiding bestond voor een nadere toetsing. Dat eiser gedurende zijn tijdelijke verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd, betekent niet dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM, nu hij vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijf er steeds rekening mee heeft moeten houden dat hij zou moeten terugkeren.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken van de Afdeling en deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko na het verloop van de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025. Daarnaast heeft verweerder vermeldt dat eiser mag blijven werken en gebruik maken van de gemeentelijke opvang en voorzieningen tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan in het door hem ingestelde beroep tegen het terugkeerbesluit, indien de rechtbank niet voor 4 maart 2025 uitspraak heeft gedaan. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).

7. De asielaanvraag van eiser is bij besluit van 1 juni 2023 buiten behandeling gesteld, welke in recht vaststaat. Daarmee is de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming beëindigd. Dit neemt niet weg dat bij het opleggen van een terugkeerbesluit alsnog moet worden beoordeeld of sprake is van zwaarwegende en gegronde redenen om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zoals volgt uit het arrest Ararat. Eiser heeft in deze procedure geen concrete, verifieerbare aanknopingspunten aangevoerd waaruit een dergelijk risico volgt. Verweerder was daarom niet gehouden om een nader onderzoek te verrichten.

8. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

9. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.

10. Om het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank;

Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.L. Weerkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?