[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat zij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar haar land van herkomst.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 22 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij/zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiseres die nog een lopende procedure hebben. In het vervangend besluit van 22 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen, om die reden wordt ingetrokken en dat eiseres een nieuw terugkeerbesluit krijgt opgelegd, inhoudende dat zij binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat haar tijdelijke bescherming op grond van de RTB op 4 maart 2024 van rechtswege is geëindigd naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Verweerder kan de voormelde uitspraak van de Afdeling niet aan het terugkeerbesluit ten grondslag leggen, omdat de overwegingen van de Afdeling over het einde van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 niet in het dictum zijn opgenomen en daarom geen rechtsgevolgen hebben. Verder heeft eiseres ook na 4 maart 2024 op grond van het Verlengingsbesluit (EU) 2023/2409 recht op tijdelijke bescherming.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangend besluit is de tijdelijke bescherming van eiseres na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiseres op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat zij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangend besluit vermeldt dat zij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko na het verloop van de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025. Daarnaast heeft verweerder vermeldt dat eiseres mag blijven werken en gebruik maken van de gemeentelijke opvang en voorzieningen tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan in het door haar ingestelde beroep tegen het terugkeerbesluit, indien de rechtbank niet voor 4 maart 2025 uitspraak heeft gedaan. Daarmee voldoet het vervangend besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
6. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het aangevulde besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
7. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het vervangend terugkeerbesluit blijft in stand.
8. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank;
Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.