ECLI:NL:RBDHA:2026:1829

ECLI:NL:RBDHA:2026:1829

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer NL26.3446
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring; tweede vervolgberoep; Nigeria; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.3446

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en

Procesverloop

De minister heeft op 24 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Deze maatregel is bij uitspraak van 14 oktober 2025 eerder getoetst. Het eerste vervolgberoep is getoetst bij uitspraak van 19 november 2025. Het tweede vervolgberoep is getoetst bij uitspraak van 15 december 2025.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 december 2025.

Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?

3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 17 december 2025 is een positieve hit uit het Nigeriaanse identiteitsonderzoek ontvangen. Hoewel de minister deze informatie op 22 december 2025 richting de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) heeft gezonden en deze informatie aan de laissez-passer (lp) aanvraag zou worden toegevoegd, blijkt uit het dossier niet dat dit is gebeurd. Deze ontwikkeling is bovendien niet met eiser besproken tijdens het vertrekgesprek, terwijl de bevestiging van de identiteit een belangrijke belemmering voor terugkeer zou wegnemen. Hierdoor is eiser de mogelijkheid ontnomen om gerichte medewerking aan vervolgstappen te verlenen, zodat eventuele vertraging hem niet kan worden tegengeworpen. Verder heeft de minister vanaf 17 december 2025 niet op dossierniveau gerappelleerd, terwijl de lp-procedure al elf maanden loopt en eiser sinds september in bewaring verblijft. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 9 augustus 2024 voert eiser aan dat na de identiteitsbevestiging meer mag worden verwacht dan standaard vertrekgesprekken en reguliere rappels.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Uit het dossier blijkt dat de minister op 17 december 2025 en 8 januari 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten op de status van de aanvraag om een lp. Ook heeft de minister op 9 december 2025, 23 december 2025 en 23 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat op 30 januari 2026 voor eiser een presentatie in persoon staat gepland bij de vertegenwoordiging van de Nigeriaanse autoriteiten en is eiser op 12 december 2025 schriftelijk gepresenteerd. Daarmee heeft de minister actief uitvoering gegeven aan het lp-traject. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de bevestigde identiteitsgegevens niet aan de lp-aanvraag zijn toegevoegd, volgt de rechtbank dit niet. Uit het dossier blijkt dat de minister dit op 7 januari 2026 wel heeft gedaan en dat de Nigeriaanse autoriteiten geïnformeerd zijn over het paspoortnummer van eiser. Dat de uitkomst van het identiteitsonderzoek niet met eiser is besproken tijdens het vertrekgesprek, leidt niet tot het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Deze omstandigheid maakt niet dat het lp-traject heeft stilgelegen of dat de minister geen acties heeft ondernomen. Bovendien weet eiser dat de minister in het kader van zijn lp-aanvraag onderzoek doet naar zijn identiteit. De verwijzing van eiser naar de voornoemde uitspraak maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. In die zaak ging het om een andere situatie: de nationaliteit was al drieënhalve maand bevestigd door de autoriteiten van het land van herkomst en eerder was een vlucht geannuleerd wegens het ontbreken van een lp. In onderhavige zaak is de minister ongeveer vijf weken bekend met het paspoortnummer van eiser, is de nationaliteit nog niet bevestigd door de Nigeriaanse autoriteiten en is er geen vlucht gepland.

Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Nigeria?

4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Nigeria ontbreekt. Het identiteitsonderzoek van 17 december 2025 heeft niet geleid tot enige voortgang in de lp-procedure en uit het dossier blijkt niet dat de bevestigde paspoortgegevens en personalia aan de lp-aanvraag zijn toegevoegd. Voor zover dit wel zou zijn gebeurd, is inmiddels ruim een maand verstreken zonder enige reactie van de Nigeriaanse autoriteiten, ondanks rappelleren. Nu de identiteit is bevestigd en de minister over alle relevante gegevens beschikt, valt niet in te zien waarom nog steeds geen lp is afgegeven. Het uitblijven van voortgang bevestigt volgens eiser dat geen sprake is van reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen het zicht op uitzetting naar Nigeria niet ontbreekt. Er is geen aanleiding om te oordelen dat dit in het geval van eiser anders is. Uit de stukken blijkt dat op 10 februari 2025 een aanvraag is gedaan om een lp en dat deze nog in behandeling is bij de Nigeriaanse autoriteiten. De Nigeriaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven de lp-aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat er na het versturen van de identiteitsgegevens op 7 januari 2026, nog geen lp is afgegeven en dat (nog) geen reactie is ontvangen op rappels, betekent niet dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Deze gegevens zijn immers pas kort geleden aan de Nigeriaanse autoriteiten verstuurd. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de voortgangsrapportage, anders dan eiser stelt, niet valt op te maken dat de identiteit al door de Nigeriaanse autoriteiten is bevestigd. Daarbij neemt de rechtbank verder in aanmerking dat uit de vertrekgesprekken en de voortgangsrapportage blijkt dat eiser heeft geweigerd om mee te werken aan geplande presentaties bij de Nigeriaanse vertegenwoordiging en herhaaldelijk heeft verklaard niet te willen meewerken aan zijn uitzetting. Op eiser rust een medewerkingsplicht om zijn vertrek te realiseren. Voor zover voortgang in het lp-traject wordt belemmerd, komt dit voor rekening en risico van eiser.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Habibi, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?