[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 13 maart 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn/haar land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop heeft verweerder instemmend gereageerd. Eiser heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2002 en heeft de Algerijnse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 13 maart 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten.
4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB op 4 maart 2024 van rechtswege is geëindigd. Uit het Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409 volgt dat de tijdelijke bescherming is verlengd tot en met 4 maart 2025 voor alle categorieën ontheemden die zijn genoemd in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, waaronder ook derdelanders zonder een permanent verblijfsrecht in Oekraïne. De verlenging geldt daarom ook voor eiser. Verweerder mocht daarbij niet zonder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32) aan het bestreden besluit ten grondslag leggen, voor zover de Afdeling zich daarin heeft uitgelaten over het einde van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Tot slot voert eiser aan dat, indien het terugkeerbesluit geen stand houdt, ook de daaraan gekoppelde SIS-signalering niet kan worden gehandhaafd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Algerije. Daarmee voldoet het besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, was verweerder niet gehouden de waarborgen toe te passen die gelden bij de intrekking van een verblijfsvergunning. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit eiser mocht afleiden dat zijn tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de bevriezingsmaatregel is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
7. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJEU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
8. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het terugkeerbesluit blijft in stand.
9. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.