RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.26947 en NL24.9766
(gemachtigde: mr. A. Heida),
en
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het met deze besluiten niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per die datum een terugkeerbesluit aan hem heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser bij besluit van 23 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Tegen dit besluit heeft eiser op 2 september 2023 beroep ingesteld (NL23.26947). Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.26948). Op 1 februari 2024 heeft de minister het besluit van 23 augustus 2023 ingetrokken. Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 26 februari 2024 laten weten dat hij het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening handhaaft.
Op 21 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin aan eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft eiser op 5 maart 2024 beroep ingesteld (NL24.9766) en heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.9768).
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de verzoeken met zaaknummers NL23.26948 en NL24.9768 allebei toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep.
Bij besluit van 23 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn oude terugkeerbesluit wordt ingetrokken en dat hij een nieuw terugkeerbesluit krijgt. In reactie op dit nieuwe terugkeerbesluit heeft de gemachtigde van eiser op 18 augustus 2025 aanvullende beroepsgronden tegen dit terugkeerbesluit ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 30 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 23 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 1 februari 2024 heeft de minister eiser medegedeeld dat de beschikking van 23 augustus 2023 wordt ingetrokken. Eiser heeft zijn beroep echter gehandhaafd.
De minister heeft op 21 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser ook beroep ingesteld.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
Bij brief van 23 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken. Aan eiser is een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming/terugkeerbesluit per 4 september 2023
4. De minister heeft het besluit van 23 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
5. Het tegen het besluit van 23 augustus 2023 gehandhaafde beroep is naar het oordeel van de rechtbank ook gericht tegen het alsnog op 21 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder overwogen dat dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 genomen terugkeerbesluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dat beroep moet worden betrokken. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit besluit van 21 februari 2024 heeft namelijk een gelijke strekking en is gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag en feitelijke grondslag als het eerdere besluit van 23 augustus 2023 en vertoont daarmee dus een onlosmakelijke samenhang. Die samenhang volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin zowel op de verblijfsbeëindiging per 4 september 2023 als die per 4 maart 2024 wordt ingegaan. Verder heeft het besluit van 21 februari 2024 ook rechtsgevolg, omdat het de reikwijdte van het besluit van 23 augustus 2023, namelijk de datum waarop het rechtmatig verblijf van eiser eindigt en vanaf wanneer een vertrekplicht ontstaat, wijzigt. Het tijdsverloop tussen het moment van intrekking (1 februari 2024) van het eerdere terugkeerbesluit en het vervangende terugkeerbesluit van 21 februari 2024 betekent niet dat artikel 6:19 van de Awb niet kan worden toegepast. Het aanmerken van het besluit van 21 februari 2024 als een 6:19-besluit dient ook de proceseconomie: de rechtszoekende kan zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit in de al aanhangig gemaakte procedure naar voren brengen en hoeft dus ook geen afzonderlijk rechtsmiddel in te dienen.
De rechtbank is echter van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit terugkeerbesluit van 21 februari 2024. De minister heeft dit prematuur genomen besluit, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ingetrokken en vervangen door het terugkeerbesluit van 23 juli 2025. Gelet op de intrekking van het besluit is het beroep dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 23 juli 2025
Kwalificatie van het besluit van 23 juli 2025
6. In het besluit van 23 juli 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.
Kon de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opleggen?
7. Eiser is het niet eens met het besluit van 23 juli 2025. Hij voert hierover verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank zal die beroepsgronden hieronder stapsgewijs bespreken.
Rechtmatig verblijf
8. Eiser betoogt in de eerste plaats dat de minister geen terugkeerbesluit aan hem kon opleggen omdat de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats op 4 april 2024 zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft toegekend. Eiser moet daarom worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn op hem van toepassing is. Op dit moment geniet eiser rechtmatig verblijf, zodat hem op grond van artikel 6 eerste lid van de Terugkeerrichtlijn geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd.
De rechtbank volgt het ingenomen standpunt van de minister en is van oordeel dat het rechtmatige verblijf wat eiser geniet op grond van de toegewezen voorlopige voorziening niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Dat eisers verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen, maakt namelijk niet dat de aan hem toekomende tijdelijke bescherming is verlengd. Eiser mocht alleen gedurende de duur van de getroffen voorlopige voorziening gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. De rechtbank verwijst, evenals de minister, naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet maakt dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
Kaduna en Abkez, evenredigheidsbeginsel en SIS-signalering
9. Onder verwijzing naar het arrest Kaduna en Abkez en de brief van de Tweede Kamer van 30 maart 2022, betoogt eiser verder dat aan hem is toegezegd dat de bescherming voor derdelanders net zolang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming voor Oekraïners. Op geen enkel moment is bij binnenkomst in Nederland aan eiser kenbaar gemaakt dat zijn tijdelijke bescherming eerder zou kunnen eindigen. Door de tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders eerder te eindigen zijn het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel geschonden. Ook neemt de minister het terugkeerbesluit ten onrechte op in het Schengen Informatiesysteem (SIS), hetgeen eiser bemoeilijkt om in andere landen een verblijfsrecht of tijdelijke bescherming aan te vragen.
Dat de arresten Kaduna en Abkez in de weg zouden staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit volgt de rechtbank niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser behoort tot de groep derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne. Op 23 april 2025 heeft de Afdeling uitspraak gedaan en in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024, geoordeeld dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders die tijdelijk verblijf hadden in Oekraïne eerder mag stoppen. Omdat de Afdeling heeft geoordeeld dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 mocht eindigen, mocht de minister aan eiser vanaf die datum een nieuw terugkeerbesluit uitvaardigen.
Eisers betoog dat het evenredigheidsbeginsel in de weg staat aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 volgt de rechtbank niet. De minister stelt namelijk terecht dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat een op een betrokkene toegespitste beoordeling daarom niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 maart 2024. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat hem persoonlijk en concreet door een daartoe bevoegde persoon of instantie is toegezegd dat hij tot het bereiken van de maximale duur tijdelijke bescherming zou krijgen of dat hij in de toekomst gelijk zou worden behandeld als iemand die tot de verplichte groepen tijdelijk beschermden behoorde. De rechtbank wijst ter vergelijking in dit verband op de uitspraak van 1 november 2023.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit. Als er aan een vreemdeling een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt er ook een signalering voor de terugkeer in het SIS geregistreerd. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat in deze bepaling dwingend is voorgeschreven dat lidstaten verplicht zijn om een vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in SIS. De minister was dan ook verplicht om ook eisers terugkeerbesluit te registreren. Eisers betoog dat de signalering in het SIS hem belemmert met het aanvragen van een verblijfstitel of het aanspraak maken op tijdelijke bescherming in een andere lidstaat, maakt niet dat de minister van de verplichting tot een SIS-registratie had hoeven afzien. Daarbij is van belang dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiser aan zijn terugkeerplicht heeft voldaan. Eiser zou hier dus geen hinder van moeten ondervinden.
Artikel 3 en artikel 8 van het EVRM
10. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of zijn individuele omstandigheden en het hier in Nederland opgebouwde (privé)leven in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Verder heeft de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet getoetst aan het beginsel van non-refoulement.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de minister bij het opleggen van een terugkeerbesluit naar behoren rekening moet houden met onder meer het privéleven van de betrokken vreemdeling. Op grond van die rechtspraak moet de minister wanneer hij aan een vreemdeling een terugkeerbesluit wil opleggen, de vreemdeling de gelegenheid moet geven om alle relevante informatie naar voren te brengen waaruit volgt dat er géén terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd. In het voornemen van 4 juni 2025 heeft de minister eiser in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen, hetgeen hij op 1 juli 2025 heeft gedaan. De minister stelt zich in het bestreden besluit echter terecht op het standpunt dat het feit dat eiser in Nederland woont, werkt en een bijdrage levert aan de economie geen reden is om aan hem geen terugkeerbesluit op te leggen. Ook eisers betoog dat hij in Marokko geen woning, werk en netwerk heeft om financieel op terug te vallen, maakt niet dat hij niet naar Marokko kan terugkeren. In het besluit van 23 juli 2025 mocht de minister zich verder op het standpunt stellen dat eiser niet heeft betwist dat er geen sprake is van zwaarwegende of op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In de beroepsfase blijft dit ongewijzigd zodat eisers beroep op het beginsel van non-refoulement evenmin slaagt.
Horen
11. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit. Dit terwijl het grondrecht om gehoord te worden is neergelegd in artikel 41, tweede lid van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Ter onderbouwing verwijst eiser naar verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Volgens eiser kan uit deze arresten worden afgeleid dat lidstaten bij het nemen van een terugkeer gerelateerde besluiten de verplichting hebben om rekening te houden met de opmerkingen van de vreemdeling en alle relevante aspecten van het individuele geval.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft eiser de mogelijkheid gegeven om middels het indienen van een zienswijze zijn bezwaren tegen het opleggen van een terugkeerbesluit naar voren te brengen. Eiser heeft van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt en heeft in de zienswijze niet aangegeven dat deze mogelijkheid voor hem niet voldoende was. Vervolgens heeft eiser in beroep niet nader gespecificeerd en gemotiveerd welke informatie de minister volgens eiser niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming omdat eiser niet voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit is gehoord. De rechtbank concludeert dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen, zodat voldaan is aan artikel 4:8 en 4:9 van de Awb. Uit de door eiser genoemde rechtspraak volgt niet dat hij voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit had moeten worden gehoord. Bovendien gaat het arrest M.G. en N.R. over een situatie waarin de maatregel van bewaring is opgelegd, hetgeen in deze zaak niet aan de orde is. Ook gelet hierop mist deze verwijzing relevantie voor de zaak van eiser.
Tussenconclusie over het besluit van 23 juli 2025
12. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 juli 2025 ongegrond.
Beroep met zaaknummer NL24.9766
13. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL23.26947 tegen het besluit van 23 augustus 2023 ook betrekking heeft op de nadien genomen besluit van 21 februari 2024 en van 23 juli 2025. Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 21 februari 2024 nog afzonderlijk beroep in te stellen. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op dit beroep.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 23 augustus 2023 en 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 23 juli 2025, is ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 23 augustus 2023 en een punt voor de aanvullende gronden gericht tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.