ECLI:NL:RBDHA:2026:1832

ECLI:NL:RBDHA:2026:1832

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer NL25.61784
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Dublin Frankrijk – artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening – belang van het kind – geen afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening – artikel 8 van het EVRM niet van toepassing – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61784

v-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),

en

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij het besluit van 16 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1985 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 juni 2025 asiel aangevraagd in Nederland.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 29 september 2022 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 25 augustus 2025 geaccepteerd.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zijn echtgenote en vier minderjarige kinderen hebben op 10 maart 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Sinds zijn komst naar Nederland heeft eiser regelmatig persoonlijk contact met zijn kinderen. Dat persoonlijk contact zal na overdracht aan Frankrijk feitelijk onmogelijk worden, omdat hij Frankrijk niet mag verlaten en de kinderen hem niet kunnen bezoeken. De omstandigheid dat hij al langere tijd gescheiden leeft van zijn kinderen, betekent niet dat er geen sprake kan zijn van een bijzondere hardheid. Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van de minderjarige kinderen en had aanleiding moeten zien om zijn asielaanvraag in Nederland inhoudelijk te beoordelen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In geschil is of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvraag van eiser in Nederland in behandeling te nemen. Daarbij is in het bijzonder van belang of verweerder de belangen van de minderjarige kinderen voldoende heeft betrokken.

5. Voor zover eiser stelt dat zijn aanwezigheid noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kinderen, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheden niet leiden tot afhankelijkheid als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening. Niet is gebleken van afhankelijkheid wegens zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd. Eiser heeft verder geen objectieve stukken overgelegd waaruit volgt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de enkele jonge leeftijd van kinderen onvoldoende is om afhankelijkheid in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening aan te nemen.

6. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de belangen van de minderjarige kinderen heeft betrokken. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser sinds enkele jaren gescheiden leeft van zijn kinderen, niet met hen samenwoont en dat de moeder de dagelijkse zorg voor de kinderen draagt. Verder is niet gebleken van medische of psychologische problematiek bij de kinderen of van omstandigheden waaruit volgt dat de moeder niet in staat of bereid is de zorg voor de kinderen voort te zetten. Verweerder heeft verder mogen betrekken dat eiser geen objectieve stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat de kinderen door zijn overdracht aan Frankrijk aantoonbare schade zullen ondervinden in hun welzijn of ontwikkeling. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende heeft betrokken.

7. Ten aanzien van eisers stelling dat persoonlijk contact met zijn kinderen na overdracht aan Frankrijk feitelijk onmogelijk zal worden, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hierin geen bijzondere omstandigheid is gelegen. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser reeds gedurende langere tijd gescheiden leeft van zijn kinderen en dat het contact dat eiser thans met hen onderhoudt ook na overdracht kan worden voortgezet. Dat overdracht praktische gevolgen kan hebben voor de frequentie van persoonlijk contact is onvoldoende om reeds daarom te concluderen dat overdracht aan Frankrijk leidt tot een wezenlijke en onherstelbare aantasting van de gezinsband. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

8. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van het EVRM speelt dit artikel in een Dublinprocedure geen zelfstandige rol. De beoordeling beperkt zich tot de vraag welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en of aanleiding bestaat toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De belangen van het gezinsleven zijn daarbij betrokken binnen het kader van artikel 6 en 17 van die verordening.

9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. K.M. de Jager

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?