ECLI:NL:RBDHA:2026:1847

ECLI:NL:RBDHA:2026:1847

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 09/146390-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor overtreding van (artikel 2 onder A van) de Opiumwet. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van verdovende middelen naar het buitenland door postpakketten met daarin ruim 7 kilo MDMA ter verzending naar Chili aan te bieden. Gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/146390-25

Datum uitspraak: 4 februari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 21 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2025 tot en met 19 maart 2025 te Den Helder en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3745,87 gram (CC107527681NL) en/of 3738,37 gram (CC107525915NL), in elk geval één of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft onder bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

De verdachte heeft op 17 maart 2025 te Den Helder twee postpakketten, geadresseerd aan een adres in Chili, ter verzending aangeboden. Deze pakketten zijn op 19 maart 2025 door de douane in het postsorteercentrum te Den Haag onderschept. Uit nader onderzoek door de douane en het Douane Laboratorium is gebleken dat zich in de wanden van de twee dozen MDMA(-poeder) bevond en dat het brutogewicht van deze MDMA 3745,87 respectievelijk 3738,37 gram was.

(Verlengde) uitvoer

Het is vaste jurisprudentie dat onder (verlengde) uitvoer, zoals bedoeld in artikel 3 jo. artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, mede wordt verstaan het aanbieden van verdovende middelen aan een vervoerder of postdienst, met het kennelijke doel deze naar het buitenland te (doen) verzenden. Niet is vereist dat de verdovende middelen daadwerkelijk Nederland hebben verlaten. Er is dan ook in dit geval, doordat de verdachte bovengenoemde twee postpakketten ter verzending heeft aangeboden, sprake van (verlengde) uitvoer.

Opzet

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van (verlengde) uitvoer van verdovende middelen, omdat de verdachte geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op de uitvoer van MDMA. Volgens de raadsman wist de verdachte niet dat er MDMA in de pakketten zat. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft in eerste instantie tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de pakketten ter post heeft bezorgd, omdat “die mensen” erom hadden gevraagd en hij hun behulpzaam wilde zijn. Daarbij zou de verdachte volgens eigen zeggen in de veronderstelling zijn geweest dat het pakket voor een familielid was bestemd. Gedurende het verhoor heeft de verdachte meermaals herhaald dat hij op verzoek van meerdere personen (“ze”) heeft gehandeld. Namen van deze personen wilde de verdachte niet noemen, omdat hij naar zijn zeggen vreesde dat dit tot gevaarlijke situaties zou kunnen leiden. Ter terechtzitting heeft de verdachte – in afwijking van zijn eerdere verklaring – verklaard dat hij de pakketten op verzoek van zijn neef bij het pakketpunt heeft ingeleverd. De verdachte stelde hierbij dat hij deze neef niet bij naam wenst te noemen, omdat dat tot vervelende situaties binnen de familie zou kunnen leiden, en dat hij niet kan uitleggen waarom hij eerder heeft verklaard dat meerdere personen hem om terpostbezorging van de pakketten hadden verzocht.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte twee totaal van elkaar verschillende verklaringen heeft afgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het niet de verdachte was die verantwoordelijk was voor de verzending van twee pakketten harddrugs naar het buitenland. Reeds deze vaststelling maakt dat de rechtbank niet uitgaat van de aannemelijkheid van het zijdens de verdachte gestelde dat een ander verantwoordelijk was voor de drugs en de verdachte niet meer dan een onwetend altruïst is geweest. Daarbij komt dat de verdachte geen concrete of verifieerbare gegevens over de identiteit van zijn neef (of een andere opdrachtgever) heeft verschaft, aan de hand waarvan het alternatieve scenario van de verdachte nader zou kunnen worden onderzocht. Daarnaast heeft een medewerker van het pakketpunt verklaard dat het hem opviel dat de verdachte telkens zijn handschoenen aantrok voordat hij de dozen aanraakte. Naar het oordeel van de rechtbank past deze handelwijze van de verdachte enkel in het scenario dat de verdachte wist van de illegale inhoud van de dozen en hierom wilde vermijden zijn vingerafdrukken op de dozen achter te laten. Het dossier bevat verder geen enkele aanwijzing dat iemand anders dan de verdachte verantwoordelijk dient te worden gehouden voor de inhoud van het pakket. De slotsom is dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de pakketten verdovende middelen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat om vast te stellen dat de verdachte bij het plegen van de (verlengde) uitvoer van de verdovende middelen met een ander of anderen (nauw en bewust) heeft samengewerkt. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 17 maart 2025 tot en met 19 maart 2025 te Den Helder en 's-Gravenhage opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 3745,87 gram (CC107527681NL) en 3738,37 gram (CC107525915NL) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om, in geval van een veroordeling, af te zien van oplegging van een gevangenisstraf die toekomstige vrijheidsbeneming van de verdachte met zich brengt.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van verdovende middelen naar het buitenland door postpakketten met daarin MDMA ter verzending naar Chili aan te bieden. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. De grootschalige (internationale) handel in verdovende middelen heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van de daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld vaak niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot deze drugshandel. Van de georganiseerde drugshandel gaat bovendien in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, zoals het omkopen van douanebeambten of haven- of transportmedewerkers. Boven- en onderwereld raken zodoende steeds meer met elkaar verweven. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen een schadelijke en verslavende werking voor de gebruikers daarvan kunnen hebben.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 31 oktober 2025, waaruit volgt dat de verdachte over het algemeen een stabiel leven lijkt te leiden. De verdachte is als zelfstandig timmerman werkzaam en zijn partner is recent van een kind bevallen. Het toezicht dat de reclassering op de verdachte heeft gehouden tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, is positief verlopen. Het recidiverisico kan de reclassering niet inschatten. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht, op te leggen.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt bij de uitvoer van een hoeveelheid verdovende middelen tussen 7.000 en 8.000 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 tot 44 maanden vermeld.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

In deze strafzaak is de voorlopige hechtenis van de verdachte momenteel geschorst. Nu de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden veroordeeld, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de huidige omstandigheden aanleiding geven tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd van ten minste even lange duur als de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, geen toereikende grond vormt voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Die beslissing moet berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Zij moet een op de voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten waaruit blijkt dat de rechter de genoemde belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval (alsnog) voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis noodzakelijk is. In die belangenafweging kan wel worden betrokken dat de verdachte wordt veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur wordt opgelegd, in die zin dat daarmee een groter gewicht toekomt aan de desbetreffende grond(en) voor de voorlopige hechtenis. Ook kan daarin een rol spelen in hoeverre de verdachte zich heeft gehouden aan de specifieke schorsingsvoorwaarden en wat het effect daarvan is geweest (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987).

Aan het bevel tot voorlopige hechtenis in deze zaak lagen gevaar voor herhaling en een geschokte rechtsorde ten grondslag. De belangen van de verdachte zijn kort gezegd gelegen in het kunnen voortzetten van zijn werkzaamheden en privéleven. De reclassering heeft het recidivegevaar niet kunnen inschatten en ziet geen aanwijzingen dat de verdachte één van de schorsingsvoorwaarden, waaraan hij sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 1 augustus 2025 is verbonden, heeft overtreden. Daartegenover leidt de rechtbank uit het dossier af dat in de auto van de verdachte een telefoon is aangetroffen, met daarop inhoud die op de handel in verdovende middelen duidt. In die omstandigheid, gecombineerd met dit veroordelende vonnis, ziet de rechtbank een ernstig gevaar voor herhaling van het plegen van drugsgerelateerde strafbare feiten. De rechtbank acht het onaannemelijk dat – zoals door de verdachte ter terechtzitting is geopperd – mogelijk een derde aan wie hij de auto heeft uitgeleend, de telefoon in de auto heeft achtergelaten.

Afweging van de belangen van strafvordering tegen de belangen van de verdachte leidt de rechtbank tot het oordeel dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in dit geval noodzakelijk is. De schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt daarom opgeheven.

7. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp, te weten een telefoon van het merk Oppo, ten behoeve van de rechthebbende zal worden bewaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst onder 1 genoemde Oppo-telefoon vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Deze telefoon is in de auto van de verdachte aangetroffen en bevat inhoud die op de handel in verdovende middelen duidt. De rechtbank gaat ervan uit dat deze telefoon aan de verdachte toebehoort. Er is sprake van een voorwerp dat kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Hierom zal de rechtbank de onttrekking aan het verkeer van de telefoon bevelen.

Ter terechtzitting is gebleken dat de onder 2 op de beslaglijst genoemde Apple iPhone reeds aan de rechthebbende (de verdachte) is teruggegeven. De rechtbank zal dan ook geen beslissing hieromtrent nemen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 b en 36d van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de

Opiumwet gegeven verbod;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 (TWEEËNVEERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK telefoontoestel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.X. Cozijn, voorzitter,

mr. E. Rabbie, rechter,

mr. M.C. Bruins, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F.X. Cozijn
  • mr. E. Rabbie
  • mr. M.C. Bruins

Griffier

  • mr. F. Aksu

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?