RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,v-nummer: [v-nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27187
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om naturalisatie van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 21 januari 2025 een aanvraag ingediend voor naturalisatie. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde. In het beleid is - kort samengevat - neergelegd dat van zo’n ernstig vermoeden sprake is als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek een sanctie voor een misdrijf is opgelegd. De periode van vijf jaar wordt de rehabilitatietermijn genoemd. Deze termijn start vanaf het moment dat de sanctie onherroepelijk is geworden, of op het moment dat de opgelegde sanctie is uitgevoerd. Omdat eiseres binnen deze periode van vijf jaar is veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 1.000,- vanwege het rijden onder invloed is sprake van een ernstig vermoeden. Daarnaast heeft eiseres geen concrete bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot het afwijken van dit beleid.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiseres een gevaar vormt voor de openbare orde?
Standpunt eiseres
4. Eiseres stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid zoals neergelegd in de Handleiding rechtvaardigen. Als zij een geldboete had gekregen van € 900,- dan had zij wel aan de voorwaarden voldaan. Daarnaast wordt eiseres nu driedubbel bestraft. Zij is haar rijbewijs negen maanden kwijt geweest, er is een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- opgelegd en nu komt daarbij dat zij niet kan naturaliseren. Bovendien heeft zij fysieke en mentale klachten overgehouden aan haar veroordeling en is de kans op recidive nihil. Verder kan zij met deze veroordeling wel een VOG krijgen voor haar werk als forensisch medewerker. Tot slot is zij al sinds 1994 onafgebroken in Nederland en heeft zij veel banden in Nederland.
Overwegingen
5. Partijen zijn het eens dat eiseres korter dan vijf jaar geleden is veroordeeld voor een misdrijf en deze ten uitvoer is gelegd. Daarbij is zij veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 1.000,-. Partijen zijn het ook eens dat daarmee volgens het beleid sprake is van een ernstig vermoeden dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Partijen verschillen wel van mening of er sprake is van bijzondere omstandigheden om van dit beleid af te wijken.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd niet zodanig bijzonder zijn dat van het beleid afgeweken had moeten worden.
De rechtbank stelt voorop dat uit het beleid volgt dat het van het grootste belang is voor de eenduidigheid, rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid dat niet snel van de regels wordt afgeweken. Hierbij wordt een zeer grote terughoudend betracht. In het beleid worden uitdrukkelijk een aantal omstandigheden genoemd die volgens de hoogste bestuursrechter in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Zoals de omstandigheid dat iemand lering heeft getrokken uit het gebeurde, inmiddels zijn leven aanzienlijk heeft verbeterd, is veroordeeld vanwege rijden onder invloed en onder behandeling is geweest waardoor het recidive risico klein is, of geschikt is bevonden voor de functie van beroepsmilitair bij het Ministerie van Defensie.
De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden hieronder kunnen worden geschaard. Dat eiseres last heeft gehad van fysieke en mentale klachten dankzij de veroordeling en de kans op recidive nihil is en zij als forensisch medewerker wel een VOG heeft gekregen, zijn daarom onvoldoende om als bijzondere omstandigheden aan te merken. Dat eiseres al lang in Nederland is en veel banden heeft met Nederland, is ook onvoldoende om als bijzondere omstandigheid aan te merken. Daarmee onderscheidt eiseres zich namelijk onvoldoende van anderen. Daarnaast wordt eiseres niet gevolgd dat het hier gaat om een driedubbele bestraffing. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor eiseres zo voelt. Maar in dit geval gaat het om het niet voldoen aan een voorwaarde voor het verlenen van het Nederlanderschap en niet om het opleggen van een bestraffende maatregel. Dit zijn daarmee twee verschillende toetsingskaders. Verder maakt het enkele feit dat eiseres met een lagere geldboete wel had voldaan aan de voorwaarden, nog niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd dat de minister niet van de grens van € 900,- mag uitgaan. De rechtbank wijst er tot slot op dat de afwijzing van het naturalisatieverzoek niet betekent dat het voor eiseres blijvend onmogelijk is om te naturaliseren. Dat de gemachtigde van eiseres op de zitting heeft aangegeven dat de rehabilitatietermijn misschien in de toekomst naar tien jaar gaat, maakt dit niet anders. Dit is namelijk nog een onzekere toekomstige gebeurtenis. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het niet verlenen van het Nederlanderschap in strijd met het evenredigheidbeginsel?
6. Eiseres is van mening dat het besluit tot het niet verlenen van Nederlanderschap in strijd is met evenredigheidsbeginsel. Eiseres verwijst daarbij naar de hierboven genoemde omstandigheden die met name ook in onderlinge samenhang moeten worden bekeken.
De rechtbank overweegt dat de verlening van het Nederlanderschap, door de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is. Dat het besluit tot gevolg heeft dat eiseres nu niet kan naturaliseren is geen onnodig nadelig gevolg. Het doel van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN is om personen die een gevaar vormen voor de openbare orde niet te naturaliseren. Dat is op zichzelf niet onevenredig. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid in dit geval gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Daarvoor verwijst de rechtbank naar het oordeel onder punt 5.3.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.