RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49587
geboren op [geboortedatum]
van Azerbeidzjaanse nationaliteit
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit om eisers asielaanvraag, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 september 2025 zijn herhaalde asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft eerder op 15 juli 2020 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 2 november 2021 afgewezen. Het beroep van eiser tegen dit besluit is bij uitspraak van 31 augustus 2023 door deze rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 september 2024 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.
Vervolgens heeft eiser tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), wegens zijn relatie met [naam 2], die de Oekraïense nationaliteit bezit. Omdat eiser per 29 april 2025 als gevolg van relationele problemen de samenwoning heeft beëindigd en de opvang heeft verlaten, wordt niet langer voldaan aan de voorwaarden zoals neergelegd in de RTB en heeft de minister de aan eiser verleende tijdelijke bescherming per die datum beëindigd.
Op 22 september 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de relatie met zijn echtgenote tijdelijk is verbroken en dat zij apart van hem wenst te wonen. Eiser voert aan dat hij recht en belang heeft bij het onderhouden van contact met zijn kinderen, evenals dat de kinderen recht en belang hebben bij contact met hun vader. Nu de kinderen, zij het tijdelijk, in Nederland mogen verblijven, stelt eiser dat het persoonlijk contact met hen bij eisers terugkeer naar zijn land van herkomst illusoir zou worden. Gelet hierop meent eiser op grond van het beleid ten aanzien van Oekraïense vluchtelingen in aanmerking te komen voor opvang, nu dit ook geldt voor zijn kinderen.
4. De minister heeft met het bestreden besluit de opvolgende asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid aanhef en onder d van de Vw 2000. Hetgeen door eiser is aangevoerd houdt geen verband met het asielrelaas zoals dit in de eerdere procedure naar voren is gebracht. Daarom moet worden geconcludeerd dat dit de kans op bescherming niet groter maakt/niet relevant is voor de huidige beoordeling. De herhaalde asielaanvraag ziet uitsluitend op het recht om contact te onderhouden met zijn kinderen. Zoals in het voornemen is overwogen, worden dergelijke verzoeken niet getoetst in het kader van een herhaalde asielaanvraag.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat geen sprake is van asielmotieven, maar van een wens rechtmatig verblijf te verkrijgen om contact te kunnen houden met de kinderen. Dit betekent dat geen nieuwe feiten of omstandigheden aan de opvolgende aanvraag ten grondslag zijn gelegd. Omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn heeft de minister reeds hierom de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers stelling dat de RTB een vorm van asiel is, kan hier niet aan af doen, aangezien dit niet maakt dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De vraag die eiser feitelijk bezighoudt is of hij onder de RTB valt. De onderhavige procedure leent zich niet voor beantwoording van die vraag, nu het hier een (opvolgende) asielaanvraag betreft. Dat betekent ook dat uit de RTB geen rechtsgrond volgt om in deze asielprocedure te toetsten aan artikel 8 van het EVRM.
In zoverre eiser meent dat de minister dit ambtshalve had moeten doen, overweegt de rechtbank dat uit het beleid van de minister volgt dat bij een opvolgende asielaanvraag geen beoordeling van artikel 8 van het EVRM plaatsvindt. De Afdeling heeft dat bevestigd. De rechtbank ziet geen grond om hierover anders te oordelen. Voor de beoordeling van artikel 8 van het EVRM dient eiser een reguliere aanvraag in te dienen.
6. Eiser stelt dat de minister in het bestreden besluit bij de verwijzing naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit ook aan artikel 8 van het EVRM had moeten toetsen. Eiser heeft hier kinderen en het gezinsleven kan niet worden uitgeoefend als aan de terugkeerverplichting moet worden voldaan.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het terugkeerbesluit in 2021 aan eiser is opgelegd en in rechte vaststaat. Eiser heeft bij de minister geen verzoek om opheffing gedaan.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat de minister op grond van het arrest Ararat in alle fasen van de procedure een actuele beoordeling moet maken van het refoulementrisico. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of uit het dossier dan wel het door eiser aangevoerde aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement en verweerder om die reden gehouden was om af te zien van handhaven van het terugkeerbesluit. In de opvolgende asielaanvraag en de gronden van beroep zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden. Dat brengt mee dat de rechtbank van oordeel is dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement en om die reden in het bestreden besluit naar het in 2021 opgelegde terugkeerbesluit kon verwijzen.
Het bepaalde in het arrest Ararat ziet nadrukkelijk op het risico op refoulement. Het Hof, noch de Afdeling, heeft zich uitgelaten over de vraag of een dergelijke beoordeling ook geldt voor het gezinsleven en/of de belangen van kinderen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze toets in het kader van het arrest Ararat ambtshalve door de minister zou moeten worden gemaakt en betrekt daarbij ook dat voor eiser een procedure openstaat om het gezinsleven te laten beoordelen (reguliere aanvraag 8 EVRM) en hij de minister kan verzoeken het terugkeerbesluit op te schorten of in te trekken.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.