RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62554
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 25 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Zijn gemachtigde heeft per bericht laten weten niet bij de zitting aanwezig te kunnen zijn. Als tolk is verschenen F. el Haji. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Het beginsel van non-refoulement
2. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring niet is getoetst aan het beginsel van non-refoulement. Evenmin is voor die toets verwezen naar de herhaalde asielaanvraag van eiser. Uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:16382) volgt dat dit wel zou hebben gemoeten.
3. De rechtbank overweegt dat, anders dan in voornoemde uitspraak, eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Gelet hierop is geen sprake van uitzetting en behoefde de huidige inbewaringstelling niet te worden getoetst aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.