ECLI:NL:RBDHA:2026:1873

ECLI:NL:RBDHA:2026:1873

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-01-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer NL25.62802
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, beroep, ophouding, informatieplicht, bewaringsgronden, voortvarend handelen, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62802

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Murad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ophouding

1. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is namelijk opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, maar dit had het tweede lid van dat artikel dan wel artikel 50a, eerste lid, van de Vw moeten zijn. De belangenafweging die de rechtbank wegens dit gebrek moet maken dient in het voordeel van eiser uit te vallen. Eiser is door de onjuiste informatie in verwarring gebracht over wat verweerder nu wel en niet aanneemt ter beoordeling van zijn situatie.

2. Partijen zijn het erover eens dat eiser op een onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Dit had artikel 50a, eerste lid, van de Vw moeten zijn, omdat uit het overdrachtsbesluit van 14 juli 2025 volgt dat eiser tot aan zijn overdracht aan Duitsland rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Er is derhalve sprake van een gebrek. Een gebrek in het voortraject maakt de aansluitende bewaring slechts onrechtmatig indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

3. De te maken belangenafweging valt in het voordeel van verweerder uit. Daarbij is van belang dat eiser op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw kon worden opgehouden en dat er dus een wettelijke grondslag voor de ophouding bestond. Bovendien heeft de ophouding niet langer geduurd dan de maximale termijn als genoemd in artikel 50, derde lid, van de Vw en is deze termijn gelijk aan de maximale termijn in artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Verweerder wijst verder terecht op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en - zoals in de rechtsoverwegingen 11. en 12. is overwogen - het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De stelling dat eiser in verwarring is gebracht, acht de rechtbank onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van eiser te laten uitvallen. De beroepsgrond slaagt niet.

Informatieplicht

4. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht. Daartoe voert eiser allereerst aan dat er geen M122-formulier aan hem is uitgereikt tijdens zijn verblijf in strafrechtelijke detentie. Hoewel in het M122-formulier staat aangegeven dat het formulier op 24 september 2025 aan eiser is uitgereikt, is dit niet mogelijk aangezien de elektronische handtekening van een dag eerder (23 september 2025) dateert. Daarnaast voert eiser aan dat in de informatiefolder de zware grond 3d is aangekruist terwijl deze in de maatregel niet aan eiser wordt tegengeworpen, en de zware grond 3c niet is aangekruist in de informatiefolder terwijl deze in de maatregel wel wordt tegengeworpen aan eiser. Gelet op deze gebreken, dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het M122-formulier niet aan hem zou zijn uitgereikt. In het M122-formulier van 23 september 2025 staat aangegeven dat het formulier op 24 september 2025 te Alphen aan den Rijn aan eiser is uitgereikt. Het feit dat de handtekening van het M122-formulier dateert van een dag vóór de uitreiking ervan, maakt niet dat het formulier niet rechtsgeldig is uitgereikt.

6. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat verweerder niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat de vreemdeling schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte wordt gebracht van de redenen van de bewaring. In dat kader is voldoende dat verweerder de vreemdeling informeert over de juridische grondslag van de maatregel van bewaring en de zware en lichte gronden die daaraan ten grondslag liggen. Partijen zijn het erover eens dat in deze informatiefolder de zware grond 3d is aangekruist, terwijl dit niet had gemoeten, en de zware grond 3c niet is aangekruist, terwijl dit wel had gemoeten. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser met deze informatiefolder onjuist is geïnformeerd over de redenen van zijn bewaring, zodat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht.

7. Dit gebrek leidt echter niet onmiddellijk tot onrechtmatigheid van de bewaring. Dat is pas het geval als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank moet dus een belangenafweging maken. Deze belangenafweging valt uit in het voordeel van verweerder. Eiser is voorafgaand aan de inbewaringstelling en tijdens het gehoor bijgestaan door zijn gemachtigde, die een afschrift van de maatregel van bewaring heeft ontvangen. Hij heeft daarom de gelegenheid gehad om de redenen van de bewaring met zijn gemachtigde te bespreken. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979. Daarnaast zijn de juiste gronden tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling met eiser besproken. Het is daarom niet gebleken dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Bovendien volgt - zoals in rechtsoverwegingen 11. en 12. is overwogen - uit de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring een significant risico op aantrekking aan het toezicht en heeft eiser geen andere zwaarwegende belangen aan zijn zijde gesteld. De stelling dat er sprake is van meerdere gebreken, maakt, gelet op het voorgaande, niet dat de belangenafweging nu wel in het voordeel van eiser zou moeten uitvallen. Het zijn geringe gebreken en zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad, terwijl verweerder er wel belang bij heeft om eiser in bewaring te houden. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

9. Verweerder heeft de lichte grond 4e ter zitting laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.

10. Eiser betwist alle zware en overige lichte gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat deze niet feitelijk is tegen te werpen en daarnaast ondeugdelijk is gemotiveerd. Niet valt in te zien hoe eisers inreis zonder geldig reisdocument een gecontroleerde overdracht in de weg zou staan. Ten aanzien van de zware grond 3b voert eiser aan dat in de motivering enkel staat vermeld dat eiser eerder - en niet voor hoe lang -illegaal in Nederland heeft verbleven. Daarnaast staat in de motivering ook niet vermeld welke verplichting eiser zou hebben geschonden. Wat betreft de zware grond 3c voert eiser aan dat uit het overdrachtsbesluit van 14 juli 2025 enkel volgt dat hij zal worden overgedragen aan Duitsland, maar niet dat hij de plicht heeft om Nederland te verlaten. Daarnaast kon eiser ook niet zelfstandig uit Nederland vertrekken, omdat hij zich ten tijde van de uitreiking van het overdrachtsbesluit in hechtenis bevond en het om een Dublinsituatie gaat. Over de lichte grond 4a voert eiser aan dat deze hem niet kan worden tegengeworpen, omdat eiser rechtmatig verblijf heeft. Ten aanzien van de lichte grond 4c voert eiser aan dat hij zou kunnen terugkeren naar zijn kamer op de COA-locatie in Zoetermeer en anders bij familie zou kunnen verblijven. Tot slot voert eiser over lichte grond 4d aan dat hij met € 110,- over voldoende middelen beschikt om een buskaartje naar Duitsland te kunnen betalen. Ook zou deze grond onvoldoende zijn gemotiveerd.

11. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware grond 3a kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Niet is gebleken dat eiser Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser beschikt namelijk niet over een geldig reisdocument. Hieraan wordt terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder de lichte grond 4c terecht heeft mogen tegenwerpen aan eiser en dat het onttrekkingsrisico daarbij voldoende is toegelicht. Hoewel eiser heeft verklaard op een COA-locatie te verblijven, volgt uit vaste jurisprudentie dat verblijf in een asielzoekerscentrum niet kan gelden als het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats. Dat eiser bij familie kan verblijven is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

12. De zware grond 3a en de lichte grond 4c zijn, in onderling verband en samenhang bezien, al voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser over de overige gronden heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

13. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht. Daartoe voert eiser allereerst aan dat hij vanuit strafrechtelijke detentie is overgenomen en er daarom op verweerder een inspanningsverplichting rustte om aan de overdracht aan Duitsland te werken. Daarnaast wordt eiser pas op 7 januari 2026 overgedragen aan Duitsland, terwijl dit voor een overdracht over land veel sneller had kunnen worden gerealiseerd.

14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:17), volgt dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden. Alleen in het geval de einddatum van de strafrechtelijke detentie nog onbekend is, dan wel wanneer iemand in voorarrest verblijft en nog niet onherroepelijk is veroordeeld, kan van verweerder niet worden gevergd dat de voorbereiding van de uitzetting steeds zo wordt ingericht, dat de uitzetting aansluitend aan het einde van de detentie plaatsvindt en iedere vreemdelingenbewaring dientengevolge achterwege kan blijven. Uit het dossier blijkt dat eiser in voorlopige hechtenis zat en dat de uitspraak in deze strafzaak op 19 december 2025 is gedaan. Vanaf dat moment was bekend dat de detentie zou worden beëindigd. De gevangenhouding is per 22 december 2025 beëindigd en op die dag heeft verweerder aan Duitsland een verzoek om overname gedaan. Daarnaast heeft op 24 december 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 30 december 2025 is een laisser-passez verkregen. Tot slot is inmiddels ook de datum voor de geplande overdracht bekend geworden, namelijk 7 januari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende voortvarend gewerkt aan de overdracht van eiser. De stelling dat het om een overdracht over land aan Duitsland gaat, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

15. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser wil namelijk in beroep gaan tegen zijn strafvonnis en heeft tot en met 2 januari 2026 de tijd om dit in persoon bij de centrale balie van de rechtbank Den Haag in te stellen. Daarnaast is niet gebleken in hoeverre verweerder rekening heeft gehouden met het mentale welzijn van eiser, nu hij in zijn land van herkomst de oorlog heeft meegemaakt. Tot slot voert eiser aan dat de opheffing van de maatregel van bewaring een overdracht niet in de weg hoeft te staan.

16. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank verwijst daarbij naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De stelling dat eiser in persoon beroep wil instellen tegen zijn strafvonnis, maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiser niet onderbouwd dat het niet mogelijk is om een gemachtigde namens hem beroep in te laten stellen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het mentale welzijn van eiser voldoende is meegewogen door verweerder. Aan eiser is tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gevraagd of hij gezond is, of er medische omstandigheden zijn en of er nog andere omstandigheden zijn waar rekening mee moet worden gehouden. Eiser heeft daar vervolgens ontkennend op geantwoord, terwijl het wel op zijn weg had gelegen om op dat moment zijn klachten naar voren te brengen. Tot slot volgt de rechtbank de stelling dat opheffing van de maatregel een overdracht niet in de weg hoeft te staan, niet, gelet op het significante onttrekkingsrisico dat volgt uit de gronden van de maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

17. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

19. Vanwege de onder rechtsoverwegingen 2. en 6. geconstateerde gebreken, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?