[naam] , eiser,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Eiser heeft 28 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt dat hij Turkmenistan in maart 2019 heeft verlaten, nadat hij door de KGB is bedreigd. Eiser werkte als sportleraar voor de Turkmeense overheid en had binnen de sportschool een verantwoordelijke rol. De KGB wilde eiser afzetten en heeft hem valselijk beschuldigd en zowel eiser als zijn vader bedreigd, nadat eiser weigerde medewerking te verlenen. De auto van eiser is in beslag genomen en zijn woning is afgepakt. Eiser stelt meermaals opgeroepen te zijn door het OM, maar hier geen gehoor aan te hebben gegeven. Eiser is in 2019 gevlucht naar Turkije en verbleef daar tot 2021, waarna hij naar Oekraïne is gevlucht. In 2022 is hij vervolgens gevlucht naar Nederland. De vrouw en kinderen van eiser zijn nog in Turkmenistan.
Het bestreden besluit
6. De minister stelt vast dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De door eiser gestelde problemen met de KGB worden door de minister niet geloofwaardig geacht. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend geheel vormen en niet eenduidig zijn. De verklaringen van eiser zijn volgens de minister ongerijmd en inconsistent. De minister concludeert dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Dat eiser terug wil keren naar Turkmenistan in afwachting van het besluit, de inconsistente verklaringen over de bedreigingen door de veiligheidsdienst en het intrekken van eerdere asielaanvragen duiden er volgens de minister op dat eiser niet een onmiddellijke behoefte heeft aan internationale bescherming. De minister wijst de aanvraag af als ongegrond.
De gronden van beroep
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte is getoetst aan werkinstructie 2024/6. Deze werkinstructie voldoet niet aan de Europese richtlijnen. Het beroep moet worden aangehouden in afwachting van de prejudiciële vragen die daarover zijn gesteld. De minister werpt artikel 31, zesde lid, onder c en d Vw aan eiser tegen. Onduidelijk is wat het wel of niet voldoen aan de overige voorwaarden betekent, of verweerder onder aan de streep nog naar het geheel heeft gekeken en of dan aan eiser het voordeel van de twijfel gegeven had moeten worden. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister er geen rekening mee heeft gehouden dat het voor zijn familie te gevaarlijk was de brief van de veiligheidsdienst die hij thuis heeft liggen naar hem toe te sturen. Ook heeft de minister geen rekening gehouden met de situatie van eiser op het moment dat hij aangaf terug te willen naar zijn familie in afwachting van het door de minister te nemen besluit. De minister werpt eiser ten onrechte tegen dat hij ongerijmd heeft verklaard over zijn uitreis. Het paspoort en de uitreis zijn twee maanden voor zijn vertrek al geregeld. Eiser kon legaal uitreizen, omdat hij niet geregistreerd stond. De beschuldigingen waren vals en niet officieel geregistreerd. Eiser stelt zich nog op het standpunt dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de bedreigingen en zijn functie in de sportschool. Volgens eiser kan hem niet worden tegengeworpen dat hij meerdere keren asiel heeft aangevraagd, pas in het nader gehoor over zijn asielmotief verklaart en in andere landen geen asiel heeft aangevraagd. Eiser wilde zich permanent in Nederland vestigen.
Beoordeling door de rechtbank
8. Met betrekking tot de geloofwaardigheid oordeelt de rechtbank als volgt.
De rechtbank ziet geen reden om het antwoord op de prejudiciële vragen af te wachten en de zaak aan te houden. Met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister in strijd handelt met het Unierecht wanneer er bij deze toets geen integrale beoordeling plaatsvindt. Wanneer na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31 zesde lid Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel wordt gekeken en wordt beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas geloofwaardig zou moeten worden geacht dan wordt aangesloten bij het Unierecht.
Aan eiser zijn de voorwaarden b, c, en e van artikel 31 lid 6 Vw tegengeworpen. Ieder van deze voorwaarden is in de besluitvorming apart getoetst. Voorwaarde d werd aanvankelijk aan eiser tegengeworpen, maar dat is komen te vervallen na de verklaring over derdelanders Oekraïne van eiser. Voorwaarde a is in de besluitvorming niet genoemd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld, en heeft tijdens de zitting bevestigd, dat wanneer een voorwaarde niet wordt genoemd, deze voorwaarde niet wordt tegengeworpen. De minister stelt zich op het standpunt dat alle feiten en relevante elementen zijn getoetst en beoordeeld en dat samen heeft geleid tot de afwijzing van de aanvraag.
Ondanks dat de minister geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen over de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel dat de minister de cumulatieve voorwaarden heeft getoetst en alle feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheids-beoordeling heeft betrokken. De minister heeft niet slechts één cumulatieve voorwaarde tegengeworpen en vervolgens nagelaten de overige te toetsen. Net als bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onder werkinstructie 2014/10 is de minister uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eiser waarbij is uitgelegd waarom bepaalde inconsistenties en ongerijmdheden aan eiser worden tegengeworpen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend geheel vormen. De minister heeft in dat kader relevant kunnen vinden dat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag in Turkmenistan bij zijn familie af wilde wachten. De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmd verklaart over dat hij wordt opgepakt bij terugkeer naar Turkmenistan. De minister heeft daarbij tegen kunnen werpen dat hij geen problemen heeft ondervonden bij het uitreizen, legaal is uitgereisd, is gecontroleerd tijdens de uitreis en een paspoort heeft aangevraagd en gekregen nadat de gestelde problemen zijn ontstaan. De minister constateert terecht dat eiser inconsistent verklaart. Zo stelt eiser enerzijds dat hij voor de KGB moet werken, terwijl hij anderzijds aangeeft dat iemand anders zijn plek in moet nemen. Verder geeft eiser verschillende verklaringen voor de reden van zijn asielaanvraag. Zo geeft hij aan de aanvraag te doen om in Nederland te kunnen blijven, omdat het moet, economische redenen, eiser wil zich graag in Nederland vestigen en een zaak beginnen, Turkmenistan is een dictatuur en tot slot verklaart hij dat hij werd bedreigd en lastiggevallen waardoor hij is vertrokken. De minister wijst er terecht op dat eiser ook inconsistent verklaart over zijn functie bij de sportschool door eerst te verklaren dat hij judo leraar is, vervolgens sportdocent voor de overheid en dat de sportschool in handen is van de overheid en vervolgens dat hij de baas van de sportschool is. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de minister het voorgaande niet heeft kunnen tegenwerpen.
De rechtbank ziet in het in beroep gevoerde betoog geen aanleiding te oordelen dat de geloofwaardigheid door de minister niet goed is beoordeeld.
9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser overigens in beroep naar voren heeft gebracht evenmin aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister om de aanvraag als ongegrond af te wijzen in stand wordt gelaten.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.