RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8838
(gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),
en
1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 7 februari 2024 heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd waarin eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Bij besluit van 4 augustus 2025 heeft de minister eiser meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Ook hierin is eiser meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd. Hiertegen heeft eiser op 21 augustus 2025 aanvullende gronden ingediend.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit India. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 11 mei 2023 als kennelijk ongegrond afgewezen.
De minister heeft op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
Bij besluit van 4 augustus 2025 heeft de minister eiser meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken, omdat het prematuur was genomen, en is vervangen door een nieuw terugkeerbesluit, waarbij de datum van beëindiging van de tijdelijke bescherming, te weten 4 maart 2024, onveranderd is gebleven.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
4. De minister heeft het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 4 augustus 2025
Kwalificatie van het besluit van 4 augustus 2025
5. In het besluit van 4 augustus 2025 staat dat de minister het eerdere prematuur genomen terugkeerbesluit van 7 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging van het eerdere terugkeerbesluit, als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.
De beroepsgronden
6. Eiser betoogt dat hij in Nederland een privéleven heeft opgebouwd sinds 2022 waardoor het terugkeerbesluit ten onrechte is opgelegd. Eiser werkt in Nederland, betaalt belastingen, houdt zich aan de Nederlandse wet- en regelgeving en heeft in Nederland een sociaal netwerk opgebouwd. Daarnaast is het terugkeerbesluit in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat eiser heeft mogen vertrouwen op het feit dat hij bescherming zou krijgen in Nederland tot het einde van de oorlog en hij is daarom niet doorgereisd naar een ander land. Tot slot is het terugkeerbesluit disproportioneel en onevenredig.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De beroepsgronden leiden niet tot een ander oordeel. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling geoordeeld, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. De Afdeling heeft overwogen dat geen reden bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen. De minister is verder in het bestreden besluit ingegaan op de genoemde omstandigheden, namelijk dat eiser in Nederland een bestaan heeft opgebouwd, altijd heeft gewerkt en belastingen heeft betaald, en is van oordeel dat dit niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft in beroep niet uitgelegd waarom de motivering in het besluit van 4 augustus 2025 op dit punt onjuist is, maar alleen de door hem in de zienswijze gestelde omstandigheden zonder enige verdere toelichting of onderbouwing herhaald. Dit betreft geen gemotiveerde betwisting van het besluit. Dat het terugkeerbesluit disproportioneel en onevenredig is heeft eiseres evenmin onderbouwd en die grond leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel. De beroepsgronden slagen dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 augustus 2025, is ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.