ECLI:NL:RBDHA:2026:1893

ECLI:NL:RBDHA:2026:1893

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer NL25.38582
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Proces-verbaal
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Mondelinge uitspraak; terugkeerbesluit; richtlijn tijdelijke bescherming; artikel 8 evrm; artikel 3 evrm; SIS-signalering; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.38582

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. De minister heeft eiser met het besluit van 12 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is een zogeheten derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. De minister heeft een terugkeerbesluit opgelegd omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en eiser nadien geen rechtmatig verblijf meer heeft. De gronden die eiser hiertegen aanvoert slagen niet.

Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit prematuur is omdat hij op grond van de bevriezingsmaatregel nog rechtmatig verblijf heeft. Dit volgt de rechtbank niet. Zoals in de uitspraak van 5 september 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats is geoordeeld, houdt de bevriezing slechts in dat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren, niet dat de tijdelijke bescherming is verlengd en dat eiser illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.

Het betoog van eiser dat de minister bij het beëindigen van de tijdelijke bescherming onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en evenredigheid slaagt evenmin. Zoals ook volgt uit de genoemde uitspraak van 5 september 2025 is bij die beëindiging geen plaats voor een individuele belangenafweging.

Bij het opleggen van het terugkeerbesluit moet wel naar behoren rekening worden gehouden met onder meer het privéleven van eiser. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij altijd heeft gewerkt in Nederland en een vrienden-, kennissen en collega kring heeft opgebouwd. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege beëindigen van tijdelijke bescherming, vormen deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat van een terugkeerbesluit had moeten worden afgezien. Eiser kon immers weten dat zijn verblijfsrecht tijdelijk zou zijn, tenzij hij een andere verblijfsvergunning zou krijgen.

Eiser heeft verder naar voren gebracht dat hij vreest voor schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Nigeria. Ten tijde van het nemen van het terugkeerbesluit was eisers asielaanvraag echter afgewezen en het daartegen ingestelde beroep was ongegrond verklaard. Nadien heeft eiser nogmaals een aanvraag ingediend en deze ingetrokken, en onlangs wederom een aanvraag ingediend. Op de zitting heeft de minister verklaard dat deze aanvraag is afgewezen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gestelde vrees in de weg staat aan het opgelegde terugkeerbesluit.

Ten slotte heeft eiser betoogd dat de opgelegde SIS-signalering hem in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 5 september 2025 stelt de rechtbank vast dat de SIS-signalering dwingend is voorgeschreven en dat hij verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht. Ook deze grond faalt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Partijen kunnen binnen vier weken tegen deze uitspraak in hoger beroep. Dat kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026 door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?