ECLI:NL:RBDHA:2026:1896

ECLI:NL:RBDHA:2026:1896

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer NL25.54497
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Dublin; Duitsland; artikel 16 en 17 van de Dublinverordening; gegrond; rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.54497

(gemachtigde: mr. H. Meijerink),

en

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken (artikel 17 van de Dublinverordening). Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister dit (aanvankelijk) onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast stelt de minister niet ten onrechte dat het beroep op artikel 16 van de Dublinverordening niet slaagt. Het beroep is gegrond vanwege het motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat de minister dit later alsnog voldoende heeft gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 oktober 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft eerder op 27 januari 2025 een asielaanvraag ingediend, die de minister ook niet in behandeling had genomen. Nederland heeft toen op 11 februari 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 18 februari 2025 aanvaard. Zowel het beroep als het hoger beroep tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Op 16 juni 2025 is de termijn om eiser aan Duitsland over te dragen verlengd, omdat eiser, toen hij zou worden overgedragen aan Duitsland, was ondergedoken. Op 25 september 2025 heeft eiser de opvolgende asielaanvraag ingediend die heeft geleid tot het bestreden besluit waarvan de rechtmatigheid in deze procedure voorligt.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?

4. Eiser voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister de behandeling van de asielaanvraag aan zich moet trekken. Hij voert aan dat hij is getrouwd en samen met zijn echtgenote, van wie het asielverzoek wel in Nederland wordt behandeld, een kind heeft. Ter onderbouwing heeft eiser een kopie van een huwelijksakte overgelegd. Volgens eiser blijkt ook uit zijn verklaringen dat sprake is van een duurzame relatie. Daarbij wijst eiser erop dat zijn echtgenote al zwanger was toen zij samen naar Nederland kwamen en dat zij samen rechtmatig in Italië verbleven. Daarnaast voert eiser aan dat de opvolgende asielprocedure vanaf het begin af aan onzorgvuldig is verlopen, omdat tijdens het aanmeldgehoor geen vragen zijn gesteld over zijn relatie met zijn echtgenote en in het terugnameverzoek aan Duitsland niet is vermeld dat eiser (destijds) een verloofde had die zwanger van hem was.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiser het gestelde huwelijk niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat de overgelegde huwelijksakte een kopie is. Alleen die akte kan volgens de minister niet het gestelde huwelijk onderbouwen. Ook indien van de juistheid van deze huwelijksakte wordt uitgegaan, volgt daaruit volgens de minister niet dat sprake is van een duurzame relatie. Niet is gebleken dat eiser en zijn gestelde echtgenote in Nigeria al een relatie hadden of samenwoonden. De minister verwijst in dit verband naar de eerdere asielprocedure van eiser, waarin deze rechtbank bij uitspraak van 19 mei 2025 heeft geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een duurzame relatie. Daarnaast stelt de minister dat het huwelijk pas heeft plaatsgevonden nadat eiser zijn asielaanvraag in Nederland heeft ingediend, terwijl op de huwelijksakte de indruk wordt gewekt dat eiser en zijn gestelde echtgenote in Nigeria zijn geweest tijdens de huwelijksvoltrekking. Tot slot stelt de minister dat de Dublinverordening op zichzelf niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen en dat het voor eigen rekening en risico van eiser komt dat hij na aankomst in het Dublingebied een gezin sticht.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat. In het kader van artikel 17 van de Dublinverordening is het aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot onevenredige hardheid. De rechtbank stelt vast dat eiser, anders dan in zijn eerdere asielprocedure, aanvoert dat hij getrouwd is. Indien sprake is van een geldig huwelijk, hoeft eiser niet aan te tonen dat sprake is van een duurzame relatie. In artikel 2, onder g, van de Dublinverordening wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen de echtgenoot en de niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden. Dit zijn volgens de rechtbank twee afzonderlijke categorieën. Hoewel de minister bij de beoordeling op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder de invulling van het huwelijk, mag betrekken en het gewicht daarvan mag beoordelen, heeft hij in dit geval aan eiser tegengeworpen dat geen sprake is van een duurzame relatie, ook indien het huwelijk wel zou worden aangenomen. Daarmee heeft de minister een onjuist toetsingskader gehanteerd. Het bestreden besluit berust daarom op een ondeugdelijke motivering en de rechtbank vernietigt om die reden het bestreden besluit.

De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De reden daarvoor is dat de minister, alsnog toereikend heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat eiser het gestelde huwelijk niet aannemelijk heeft gemaakt. Een enkele kopie van een huwelijksakte is daarvoor onvoldoende. De minister heeft gemotiveerd dat aan een kopie van een (niet-gelegaliseerde) huwelijksakte in dit verband weinig waarde kan worden gehecht, ook al hebben eiser en zijn gestelde echtgenote elkaar genoemd tijdens gehoren. Het is aan eiser om zijn gestelde huwelijk te onderbouwen. Dat eiser vanwege financiële omstandigheden niet over het origineel kan beschikken of de huwelijksakte niet kan laten legaliseren, maakt dit niet anders. Eiser heeft dat ten eerste niet onderbouwd en ten tweede komt dit voor rekening en risico van eiser.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat de asielprocedure onzorgvuldig is geweest, omdat tijdens het aanmeldgehoor geen vragen zijn gesteld over zijn relatie met zijn gestelde echtgenote en in het terugnameverzoek aan Duitsland niet is vermeld dat zij (destijds) zwanger van hem was, stelt de rechtbank vast dat deze beroepsgronden al aan de orde zijn geweest in de eerdere asielprocedure van eiser, die hebben geleid tot de uitspraak van 19 mei 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverwegingen 10.1 en 6.2 van die uitspraak en ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Bovendien is eiser in deze opvolgende asielprocedure opnieuw gehoord en bevraagd over zijn gestelde huwelijk.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 16 van de Dublinverordening?

5. Eiser voert aan dat hij een kind heeft dat afhankelijk van hem is en aan hem gehecht is. Eiser betoogt dat zijn aanwezigheid bij de opvoeding van belang is. Hij wijst daarbij op artikel 6 van de Dublinverordening waarin is bepaald dat het belang van het kind voorop staat. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind niet meebrengen dat het asielverzoek van eiser in Nederland wordt behandeld. Eiser heeft een kopie van een (niet-geaccrediteerde) DNA-test overgelegd om zijn vaderschap te onderbouwen. Vanwege de hoge kosten was het niet mogelijk om een geaccrediteerde DNA-test af te nemen en hij wijst daarbij op een e-mail van VluchtelingenWerk Nederland. Eiser heeft foto’s overgelegd waaruit blijkt dat de test bij hem en zijn kind is afgenomen. Dat eiser zijn kind niet heeft kunnen erkennen en dat zijn naam niet op de geboorteakte staat, is volgens eiser het gevolg van een weigering door de gemeente. Eiser voert aan dat hij wel een geboortekaartje uit het ziekenhuis heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bij de geboorte van het kind aanwezig was.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat artikel 16 van de Dublinverordening niet van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat het in het belang van het kind is om als uitgangspunt te nemen dat zijn situatie onlosmakelijk is verbonden met die van zijn ouders. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om eerst aannemelijk te maken dat hij de vader van het kind is, voordat kan worden toegekomen aan de beoordeling van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening en de belangen van het kind. De minister stelt terecht dat eiser daar niet in is geslaagd. Eiser heeft namelijk slechts een kopie van een niet-geaccrediteerde DNA-test overgelegd en zijn naam staat daarnaast niet op de overgelegde geboorteakte. Dat eiser geen geld heeft voor een geaccrediteerde test en dat de gemeente de erkenning heeft geweigerd heeft eiser niet onderbouwd. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat het overgelegde ziekenhuisbriefje en de foto’s onvoldoende zijn om vaderschap aan te tonen.

Voor zover eiser betoogt dat zijn echtgenote afhankelijk van hem is zoals bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening, is de rechtbank van oordeel dat ook in dit geval eerst aannemelijk moet worden gemaakt dat sprake is van een huwelijk. Zoals onder 4.2. overwogen, is eiser daar niet in geslaagd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister alsnog voldoende gemotiveerd heeft waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Kompier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?