RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen
[naam 1], eiseres,
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/14424
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: drs. H.C. van der Staay),
en
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf. Zij heeft een visum aangevraagd om haar partner [naam 2] (referent) te mogen bezoeken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. De minister mocht de aanvraag afwijzen, omdat eiseres de sociale en economische binding met Syrië onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 10 juli 2024 een aanvraag ingediend om de afgifte van een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juli 2024 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 19 juni 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Eiseres heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Op zitting is besproken dat eiseres geen volledige machtiging heeft overgelegd dat haar gemachtigde haar mag vertegenwoordigen in de beroepsprocedure. Op 18 december 2025 heeft eiseres een machtiging aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beoordelingskader
3. De rechtbank overweegt dat het aan de visumaanvrager is, om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Een visum wordt geweigerd, als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Maar ook als het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren.
Uit het arrest Koushkaki volgt dat de minister bij het onderzoek van een visumaanvraag beschikt over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van de minister dat zich een weigeringsgrond voordoet, alleen terughoudend kan toetsen.Heeft de minister kunnen concluderen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eiseres niet aangetoond zijn?
4. Eiseres stelt dat zij naar Nederland wil komen om haar verloofde, inmiddels echtgenoot, te bezoeken. Zij heeft in beroep stukken overgelegd die dat onderbouwen. Het gaat om: foto’s, communicatieberichten, een verlovingsverklaring, een huwelijksverklaring en de inschrijving van het huwelijk in de BRP. Hiermee is voldoende bewijs geleverd voor de partnerrelatie.
De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat het doel en omstandigheden van de reis onvoldoende zijn aangetoond. Eiseres heeft bij haar aanvraag geen documenten overgelegd om haar relatie te onderbouwen. Ook in bezwaar heeft zij haar relatie niet met stukken onderbouwd, ondanks dat zij daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad. De minister vraagt om de in beroep ingediende stukken buiten beschouwing te laten, vanwege de ex-tunc toetsing van de beslissing op bezwaar. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de stukken wel inhoudelijk moeten worden betrokken, dan is de minister van mening dat ook de in beroep ingediende stukken het doel en de omstandigheden van het verblijf niet aantonen.
De rechtbank zal de foto’s, chatberichten en kopie van de verlovingsverklaring meenemen in de beoordeling. De minister heeft namelijk in het verweerschrift en op de zitting inhoudelijk gereageerd op de documenten. Daar komt bij dat het gaat om feiten/omstandigheden die al bestonden ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar. Maar de rechtbank zal de huwelijksakte en de inschrijving daarvan in de BRP niet meenemen in de boordeling. Het huwelijk vond namelijk plaats op 8 augustus 2025. Dit is nadat de beslissing op bezwaar is genomen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf door eiseres niet is aangetoond. De rechtbank volgt de minister dat in bezwaar geen stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van de relatie tussen eiseres en referent. Maar deze stukken zijn in beroep wel overgelegd. Eiseres heeft niet alleen foto’s overgelegd, maar ook een verklaring van verloving van het Armeens-Orthodox Bisdom. Daaruit volgt dat eiseres en referent op 12 augustus 2023 in de Sint-Hagop Kerk in Qamishli in aanwezigheid van priester Basil Berberian zich hebben verloofd. Dit is in het register van de kerk vastgelegd. Dat het volgens de minister ongebruikelijk is dat een kerkelijke instantie een verloving officieel vastlegt, volgt de rechtbank niet. Dit heeft de minister namelijk niet nader onderbouwd. Ook volgt de rechtbank de minister niet dat er maar twee foto’s zijn overgelegd en geen foto’s van de verlovingsdag of foto’s van andere gezamenlijke momenten. In beroep zijn er 29 foto’s overgelegd, waaronder foto’s van eiseres en referent met prominent de verlovingsringen in beeld. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een relatie en/of verloving tussen eiseres en referent.
Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek en de beroepsgrond slaagt. De gevolgen hiervan worden beoordeeld onder het kopje ‘conclusie en gevolgen’.Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst heeft?
5. Eiseres stelt dat wel sprake is van een substantiële economische binding met Syrië. In het bestreden besluit is gewezen op het ontbreken van een arbeidsovereenkomst. In beroep heeft eiseres een getekende arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat zij sinds 2022 werkzaam is in de sector ‘fashion & cosmetics’. De minister overweegt ten onrechte dat deze binding ontbreekt.
De minister volgt dit standpunt van eiseres niet. De minister vraagt de arbeidsovereenkomst niet te betrekken in de beoordeling, omdat deze te laat is ingediend. Als de arbeidsovereenkomst wel wordt meegenomen, dan zijn er geen andere bewijsstukken aangeleverd die het werk van eiseres onderbouwen. Er ontbreken bijvoorbeeld een werkgeversverklaring, salarisstroken en bankafschriften. Ook heeft eiseres niet duidelijk gemaakt wat haar werkzaamheden zijn, anders dan dat zij werkzaam is in de sector ‘fashion & cosmetics.’ Tot slot eindigde de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2022 en is dus niet aangetoond dat eiseres momenteel nog een baan in Syrië heeft.
6. De rechtbank zal de arbeidsovereenkomst van eiseres meenemen in de beoordeling. De minister heeft namelijk in het verweerschrift en op de zitting inhoudelijk gereageerd op het document. Daar komt bij dat het gaat om feiten/omstandigheden die al bestonden ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat de economische binding van eiseres met Syrië, onvoldoende is aangetoond. Eiseres heeft bij de aanvraag en in bezwaar geen bewijs ingediend om haar economische binding met Syrië te onderbouwen terwijl hier wel om is gevraagd. Dat zij in beroep wel een arbeidsovereenkomst heeft overgelegd, heeft de minister in dit geval onvoldoende mogen vinden. De arbeidsovereenkomst betreft namelijk een dienstbetrekking voor bepaalde tijd en eindigde op 1 oktober 2022. Het is daarom niet duidelijk of eiseres op dit moment werk heeft. Daarnaast mocht de minister er op wijzen dat eiseres geen andere stukken heeft overgelegd, zoals een werkgeversverklaring, salarisstroken en bankafschriften van haar dienstbetrekking. Dat het niet mogelijk zou zijn om deze stukken te overleggen heeft eiseres niet onderbouwd.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van sociale binding met Syrië zodat tijdige terugkeer gewaarborgd is. De minister heeft kunnen overwegen dat eiseres niet gehuwd is, geen gezin heeft in Syrië, dat zij inwoont bij haar broer en dat dit niet genoeg is om te waarborgen dat zij tijdig zal terugkeren. Eiseres heeft bovenstaande bovendien niet bestreden.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van eiseres op zitting heeft aangegeven ook een reguliere gezinsherenigingsprocedure te hebben opgestart. Net als de minister ziet de rechtbank hierin ook aanleiding om te twijfelen aan de tijdige terugkeer van eiseres naar Syrië. De minister heeft gelet op het voorgaande kunnen concluderen dat tijdige terugkeer niet gewaarborgd is en daarom de aanvraag kunnen afwijzen.
Had de minister eiseres en/of referent moeten horen in bezwaar?
7. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Eiseres verwijst daarbij op de zitting naar een uitspraak van de Afdeling.
De rechtbank oordeelt dat de minister mocht afzien van het horen in bezwaar. Uit vaste rechtspraak volgt dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat in principe wordt gehoord. De minister mag daarvan afwijken als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Dit hangt sterk af van de individuele zaak en wat in bezwaar is aangevoerd. In dit geval heeft eiseres in bezwaar geen nieuwe bewijsstukken ingediend ter onderbouwing van haar relatie met referent en haar sociale en economische binding met Syrië. De rechtbank vindt dat dit wel van haar verwacht kon worden. Bij de afwijzing van de aanvraag is namelijk aangegeven dat onvoldoende informatie is overgelegd over het reisdoel en de sociale en economische binding niet is aangetoond. De enkele stelling van eiseres in beroep dat hierover tijdens een hoorzitting een toelichting gegeven had kunnen worden, had zonder bewijsstukken niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De op de zitting via (een vorm van) ChatGPT getoonde uitspraak van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraak niet relevant is. Die uitspraak ziet namelijk - anders dan deze zaak - op tegenstrijdigheden in een asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank ziet aanleiding om het onder 4.3. vastgestelde motiveringsgebrek met artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eiseres door dit gebrek niet is benadeeld. Zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, heeft de minister de visumaanvraag af mogen wijzen op de grond dat er redelijke twijfel bestaat over de tijdige terugkeer. Deze afwijzingsgrond staat los van het motiveringsgebrek, zodat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Omdat de beslissing op bezwaar wel gebrekkig is, zal de minister de proceskosten en het griffierecht aan eiseres moeten vergoeden. De rechtbank stelt dit bedrag aan proceskosten vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van €194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 5 februari 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, op grond van artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.