RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21744
V-nummer: 2923506809,
(referent:[referent])
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ongegrond is verklaard.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 7 september 2022 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor een verblijf als familie- of gezinslid bij referent op grond van artikel 8 EVRM ingediend. In de beschikking van 8 maart 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen. Op 4 april 2024 heeft eiseres hiertegen een bezwaarschrift ingediend. In de beschikking van 14 april 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard, waarmee de afwijzing van de aanvraag door de minister in stand is gelaten.
4. De rechtbank heeft het door eiseres ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.
De totstandkoming van het besluit
5. Eiseres is de moeder van referent. Zij woont in Syrië. Eiseres beoogt gezinshereniging met haar zoon, schoondochter en kleinkinderen en heeft daarvoor een mvv-aanvraag ingediend. Referent heeft de Syrische nationaliteit en heeft een verblijfsvergunning in Nederland. De minister heeft vastgesteld dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie met referent aannemelijk zijn gemaakt. De minister heeft de aanvraag vervolgens afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er een familie- en gezinsleven bestaat tussen eiseres en (het gezin van) haar zoon.
6. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft de minister met het bestreden besluit van 14 april 2025 ongegrond verklaard. In dat besluit handhaaft de minister het standpunt dat er geen gezinsleven bestaat tussen eiseres en (het gezin van) haar zoon. Er is volgens de minister geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie die de gebruikelijke banden tussen gezinsleden overstijgt. De minister acht daarbij van belang dat het in Syrië gebruikelijk is om met (een) ouder(s) samen te wonen. Er is geen sprake van financiële of emotionele afhankelijkheid. Ook in praktische en medische zin is er volgens de minister geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid, omdat eiseres zich het afgelopen jaar, met enige hulp van anderen, staande heeft gehouden. Niet is gebleken dat eiseres niet meer in staat is geweest om voor zichzelf te zorgen sinds het vertrek van haar zoon en schoondochter. Daarnaast handhaaft de minister het standpunt dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiseres en haar kleinkinderen. De minister wijst er daarbij op dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van hechte persoonlijke banden, omdat niet is gebleken dat eiseres de rol van haar zoon als ouder of de opvoeding van hem heeft overgenomen. Er is daarom geen sprake van gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen.
De gronden van beroep
7. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en gezinsleven met haar zoon en schoondochter. Eiseres en (het gezin van) haar zoon hebben hun hele leven bij elkaar gewoond en een gezin gevormd. Het overlijden van de echtgenoot van eiseres en de oorlog in Syrië hebben zijn weerslag op het gezin gehad en diepe emotionele wonden achtergelaten. Eiseres is, mede vanwege haar leeftijd, hulpbehoevend en heeft praktische hulp van anderen nodig in haar dagelijkse bestaan. Alle elementen zijn door de minister afzonderlijk gewogen, terwijl gekeken dient te worden naar een combinatie van deze factoren. Daarnaast bestaan er hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen, in het bijzonder [kleinzoon], die aan het Syndroom van Down lijdt en een ontwikkelingsachterstand heeft. Eiseres en de kleinkinderen missen elkaar. De belangen van het kind moeten de eerste overweging vormen, terwijl hiervan niet blijkt uit het besluit. Tot slot had de belangenafweging die de minister had moeten maken, in het voordeel van eiseres uit moeten vallen.
Beoordeling door de rechtbank
Bestaan er bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres, haar zoon en schoondochter?
8. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat relaties tussen volwassen familieleden buiten het kerngezin onder de bescherming van artikel 8 EVRM kunnen vallen. Daarvoor is vereist dat tussen deze volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.
De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister een brede beoordeling moet maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Daarbij worden alle individuele omstandigheden van het geval betrokken en in onderlinge samenhang beoordeeld. De beoordeling van de vraag of er daadwerkelijk elementen van afhankelijkheid bestaan is een vraag van feitelijke aard. De minister moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. In de beoordeling moeten, voor zover deze zijn aangevoerd, elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond een rol spelen. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering of er gezinsleven bestaat, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
In het besluit is door de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht betrokken dat eiseres met (het gezin van) haar zoon heeft samengewoond tot het moment van hun vertrek uit Syrië. De minister heeft zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het in de Syrische cultuur gebruikelijk is dat ouders bij het gezin van de kinderen inwonen. Samenwoning op zichzelf maakt niet dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen eiseres en (het gezin van) haar zoon. De minister heeft bij de beoordeling terecht betrokken dat eiseres niet financieel wordt ondersteund door haar zoon en schoondochter en zij nooit buiten Syrië heeft gewoond. De minister heeft eiseres tegen kunnen werpen dat zij zich met behulp van anderen, zoals haar broer en de buren, staande heeft kunnen houden sinds het vertrek van haar zoon en schoondochter. Ook de emotionele afhankelijkheid is door de minister terecht in de besluitvorming betrokken. Daarbij heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake is van een sterke band, die is versterkt door het leven in een oorlogsgebied, maar de gebruikelijke emotionele afhankelijkheid niet overstijgt en zij elkaar ook op afstand (emotioneel) kunnen ondersteunen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister alle door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden heeft betrokken en in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Door eiseres is niets aangevoerd waaruit blijkt dat de minister de afzonderlijke elementen niet goed heeft gewogen. Eiseres heeft ook niet duidelijk gemaakt hoe de samenhang tussen de elementen, die ieder afzonderlijk onvoldoende zwaarwegend zijn, tot een andere conclusie moet leiden.
Bestaan er hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen?
9. Uit de rechtspraak van het EHRM en van de Afdeling volgt dat voor het bestaan van gezinsleven tussen grootouders en minderjarige kleinkinderen, is vereist dat sprake is van hechte en persoonlijke banden. Of er daadwerkelijk hechte en persoonlijke banden bestaan, is een vraag van feitelijke aard. Hierbij moet de minister alle relevante individuele aspecten betrekken. Het samenwonen van eiseres met de kleinkinderen is niet voldoende om te spreken van hechte persoonlijke banden, maar er kunnen zich andere feiten en omstandigheden voordoen waardoor daarvan wel sprake is.
Anders dan in de uitspraak waar eiseres zich op beroept heeft zij niet de verzorging en opvoeding van haar kleinkinderen op zich genomen. Volgens eiseres heeft zij een hechte band met haar kleinzoon [kleinzoon] die lijdt aan het Syndroom van Down en een ontwikkelingsachterstand heeft. In Syrië gaf eiseres [kleinzoon] eten en drinken, sliepen zij samen op een matras en speelden zij samen. Eiseres besteedde tijd en aandacht aan [kleinzoon]. De rechtbank is van oordeel dat daarmee niet is gebleken dat sprake is van een band die uitstijgt boven de gebruikelijke band tussen een oma en een kleinzoon. Ook is niet gebleken dat eiseres een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de opvoeding en verzorging van [kleinzoon] of haar andere kleinkinderen. Door eiseres is onvoldoende onderbouwd dat door de minister een ander besluit genomen had moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en de kleinkinderen.
10. Met betrekking tot de rechten van het kind overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging dienen te vormen en moet aan die belangen aanzienlijk gewicht toekomen, maar kunnen die belangen op zichzelf niet doorslaggevend zijn. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van de kinderen zijn meegewogen in het kader van hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en de kinderen. Door eiseres is niets aangevoerd waaruit blijkt dat de minister de aanvraag van eiseres niet goed heeft getoetst of dat sprake is van een onjuiste beoordeling door de minister.
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Dat betekent dat de minister heeft mogen volstaan met de constatering dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden. De minister is niet gehouden een belangenafweging te maken waarbij de belangen van de Nederlandse Staat worden afgewogen tegen de belangen van eiseres.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister om de aanvraag als ongegrond af te wijzen in stand wordt gelaten.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.