uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49289
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. G. Palanciyan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).
Inleiding
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 17 oktober 2025 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
1.2. Op 17 oktober 2025 heeft eiser verzocht om aanhouding in afwachting van de uitkomst van de procedure bij deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025.1 De rechtbank heeft dit verzoek tijdens de zitting van 16 januari 2026 besproken.
1.3. Op 12 december 2025 heeft eiser verzocht om aanhouding in afwachting van het hoger beroep dat is ingesteld naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025.2 De rechtbank heeft dit verzoek op 13 januari 2026 afgewezen.
1.4. De minister heeft op 9 en 12 januari 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5. Op 14 januari 2026 heeft eiser verzocht om aanhouding in afwachting van de prejudiciële vraag die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in haar uitspraak van 29 december 20253 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank heeft dit verzoek tijdens de zitting besproken.
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.
2 ECLI:NL:RBDHA:2025:23822.
3 ECLI:NL:RBDHA:2025:25445.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Ben Mohammed als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De aanhoudingsverzoeken
2. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij gelet op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025 en van 29 december 2025, verzoekt om aanhouding om proceseconomische redenen. Eiser betoogt dat de uitkomst van de procedure ook voor hem van belang is.
De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de behandeling van het beroep van eiser aan te houden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister heeft toegelicht dat wat hem betreft geen noodzaak bestaat om deze zaak aan te houden. De minister stelt dat de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn een globale beoordeling is van het samenspel van verschillende factoren. Anders dan zittingsplaats Roermond heeft geoordeeld in de door eiser aangehaalde tussenuitspraken, stelt de minister dat de humanitaire omstandigheden daarbij niet snel doorslaggevend zijn. Wel moeten humanitaire omstandigheden worden meegewogen bij de globale beoordeling als die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen of nalaten van strijdende partijen in een actief gewapend conflict. De minister ziet geen aanleiding om hierover een ander standpunt in te nemen. De hiervoor genoemde tussenuitspraken van zittingsplaats Roermond zijn voor de minister dan ook geen aanleiding geweest voor ander beleid. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat zittingsplaats Roermond in wat in die zaak is aangevoerd aanleiding ziet om een prejudiciële vraag te stellen, onvoldoende reden is om het aanhoudingsverzoek van eiser toe te wijzen.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij problemen heeft gehad met de Al Massalma clan . Leden van de clan hebben eiser in 2020 mishandeld en bedreigd. Sindsdien heeft eiser na bemiddeling persoonlijk geen problemen meer gehad met de clan . Wel zijn er problemen tussen de clan van eiser en de Al Massalma clan in het algemeen. Eiser verwacht bij terugkeer dat hij weer problemen krijgt met de Al Massalma clan . Ook is de algemene situatie in [plaats] slecht, waardoor eiser niet kan terugkeren naar Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2) Problemen met de Al Massalma clan .
De minister acht de asielmotieven geloofwaardig. De problemen die eiser in de correcties en aanvullingen stelt te hebben gehad met zijn vader, zijn eigen clan en met de Bani Khaled clan , worden door de minister niet gevolgd. Eiser heeft uitgebreid de gelegenheid gehad om hierover te verklaren, maar eiser heeft dat in zijn asielrelaas niet naar voren gebracht. Van hem had wel mogen worden verwacht om hier in het nader gehoor over te verklaren. Deze problemen vormen daarom geen onderdeel van het asielmotief.
De minister vindt dat eiser de vrees bij terugkeer voor zijn problemen met de Al Massalma clan niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser is diverse keren in de gelegenheid gesteld om over de problemen met de clan te verklaren, maar heeft dit niet gedaan. Ook zijn de problemen met de Al Massalma clan van lang geleden. Daar komt bij dat er altijd te bemiddelen viel bij de problemen. Eiser heeft daarna ook geen persoonlijke problemen meer gehad met de clan . Als eiser wel weer problemen zou krijgen, ziet de minstier niet in waarom er niet opnieuw bemiddeld kan worden. Ook heeft eiser gesteld dat hij veilig heeft kunnen verblijven op het platteland van [plaats] . Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zijn vroegere problemen bij terugkeer weer zullen zorgen voor problemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld gelet op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De minister neemt voor heel Syrië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser is er niet in geslaagd om met zijn persoonlijke problemen aannemelijk te maken dat sprake is van vrees bij terugkeer. De minister wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond.
Daarnaast heeft de minister bepaald dat eiser geen aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning. Eiser is verantwoordelijk geweest voor acht incidenten op het AZC en is daarom in de HTL geplaatst. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit zijn psychische klachten blijken. Eiser krijgt ook geen uitstel van vertrek om medische redenen. Ook legt de minister een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken.
Problemen met de Al Massalma clan
5. Eiser voert aan dat de minister de problemen met de Al Massalma clan geloofwaardig acht, maar deze problemen zijn volgens de minister niet zwaarwegend genoeg en bieden geen grond voor bescherming. Die redenering van de minister is volgens eiser tegenstrijdig en onjuist. Eiser stelt dat zodra persoonlijke problemen aannemelijk zijn, de zwaarwegendheid besloten ligt in de aannemelijkheid zelf.
De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de problemen die eiser met de Al Massalma clan had geloofwaardig zijn. De minister vindt echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer voor deze clan heeft te vrezen en dat daarom de problemen niet zwaarwegend genoeg zijn om in aanmerking te komen voor een asielvergunning. De rechtbank ziet niet in dat deze redenering van de minister tegenstrijdig of onjuist is.
6. Eiser stelt verder dat de minister in het bestreden besluit bevestigt dat clanconflicten in Syrië generatie-overschrijdend zijn. Ook erkent de minister dat eiser daadwerkelijk problemen heeft gehad met de Al Massalma clan . Desondanks meent de minister dat deze niet meer actueel zijn, omdat eiser geen recente incidenten heeft meegemaakt. Eiser vindt dit onjuist en een beperkte uitleg van de feiten. Het ontbreken van recente incidenten betekent niet dat het risico bij terugkeer is verdwenen, zeker niet als vetes volgens de aangehaalde bronnen jaren later kunnen herleven. Eiser wijst hierbij op een rapport van professor [naam] .
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vroegere problemen met de Al Massalma clan opnieuw een probleem zullen zijn bij terugkeer. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hoewel uit het rapport van professor [naam] blijkt van generatie-overschrijdend clangeweld, eiser met de verwijzing naar dit algemene bericht niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te maken zal krijgen met dit geweld. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen die eiser met de Al Massalma clan heeft gehad van lang geleden zijn. Eiser heeft na de twee incidenten nog drie jaar in Syrië verbleven zonder problemen te ondervinden. Daar komt bij dat er altijd te bemiddelen viel bij de problemen. De rechtbank volgt de minister daarom in het standpunt dat niet valt in te zien dat er niet opnieuw kan worden bemiddeld mocht eiser opnieuw problemen krijgen. Verder heeft eiser verklaard dat hij veilig kon verblijven op het platteland van [plaats] . Ook daaruit volgt niet dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor problemen met de Al Massalma clan .
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees bij terugkeer vanwege de problemen met de Al Massalma clan niet aannemelijk heeft gemaakt.
Problemen met vader, eigen clan en de Bani Khaled clan
7. Eiser stelt verder dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet eerder heeft verklaard over de problemen die hij met zijn vader, zijn eigen clan en de Bani Khaled had. Eiser stelt dat asielaanvragen die tijdens het Assad-regime zijn ingediend in de algemene asielprocedure snel werden toegewezen. Het is daarom niet vreemd dat eiser tot aan de verdrijving van het Assad-regime niets heeft gezegd over zijn andere problemen. Ook het feit dat eiser aangeeft wel of geen problemen te hebben, houdt verband met zijn onvermogen om het gevaar daadwerkelijk in te schatten. Eiser heeft namelijk psychische problematiek.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser terecht tegenwerpt dat eiser tijdens de asielgehoren niets heeft verklaard over de problemen die hij stelt te hebben gehad met zijn vader, zijn eigen clan en de Bani Khaled clan . Uit het nader gehoor volgt dat de gehoorambtenaar meermaals heeft gevraagd naar de problemen met de andere clans dan de Al Massalma clan , eisers persoonlijke problemen die hij had met de clans , en de problemen die hij met zijn vader had. Eiser is dus uitgebreid in de gelegenheid gesteld om hierover te verklaren. Eiser heeft telkens geantwoord dat hij geen problemen heeft gehad.4 Dat eiser voor het eerst in de correcties en aanvullingen naar voren brengt dat hij ook persoonlijke problemen heeft gehad met zijn eigen clan , zijn vader en zijn familie, en de Bani Khaled clan heeft de minister daarom terecht niet gevolgd. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat hij niet (eerder) kon of hoefde te verklaren over de andere gestelde problemen omdat de asielaanvragen tijdens het Assad-regime snel werden behandeld. Uit het gehoor volgt duidelijk dat eiser in de gelegenheid is gesteld om over verschillende onderwerpen te verklaren. Niet valt in te zien dat eiser tijdens het nader gehoor hierover niets heeft verklaard, maar een dag later in de correcties en aanvullingen deze problemen wel naar voren brengt. De stelling van eiser dat hij aangeeft wel en geen problemen te hebben en dat dit verband houdt met zijn onvermogen om het gevaar daadwerkelijk in te schatten en zijn psychische aandoeningen, heeft eiser niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4 Zie pagina’s, 6, 9, 10 en 11 van het nader gehoor.
De veiligheidssituatie in Syrië
9. Eiser heeft verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 20255 en van 29 december 20256 en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025.7 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie in Syrië extreem onveilig is en dat sprake is van een zware humanitaire crisis. De huidige ellende in Syrië is veroorzaakt door eerder geweld, maar dat Assad weg is betekent niet dat er geen conflict meer is als gevolg van de oorlog.
Eiser heeft tijdens de zitting desgevraagd geen nadere toelichting gegeven over zijn standpunt ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
In artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn staat dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 9 november 2023, in de zaak X. en Y.8 uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties heeft. In de hoogste gradatie is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld.
Op 17 juni 2025 heeft de minister het wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13 gepubliceerd.9 Daarin is zijn huidige inschatting van de veiligheidssituatie in Syrië neergelegd. De minister concludeert dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Volgens de minister leidt de enkele aanwezigheid in Syrië op zichzelf daarom nog niet tot een reëel risico om te worden blootgesteld aan ernstige schade, dat kan anders zijn als een individuele vreemdeling vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het aanwezige willekeurige geweld. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Syrië (mei 2025) en de daarin benoemde onderliggende bronnen.
De minister heeft zich in het bestreden besluit en in de verweerschriften op het standpunt gesteld dat voor heel Syrië geldt dat sprake is van een relatief lage mate van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Van belang is dat het aantal geweldsincidenten na de val van het regime van Assad sterk is afgenomen en dat er in veel provincies ontmijningscampagnes plaatsvinden. Bovendien zijn er Syriërs die terugkeren naar Syrië. De minister wijst op uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 202510 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister stelt dat de humanitaire omstandigheden dus niet doorslaggevend zijn, maar wel moeten worden meegewogen in de globale beoordeling als die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen of nalaten van strijdende partijen in een actief gewapend conflict. De slechte omstandigheden in Syrië zijn echter maar zeer ten dele het gevolg van het nu gaande gewapende conflict. Verder stelt de minister dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een lopend gewapend conflict wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling van artikel 3 van het EVRM. Dat valt echter buiten de scope van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en wordt in het algemeen meer restrictief uitgelegd. De minister stelt dat het feit dat het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 ziet op een relatief korte verslagperiode en dat het onzeker is hoe de situatie in Syrië zich gaat ontwikkelen onvoldoende is voor de conclusie dat de minister de veiligheidssituatie te licht heeft ingeschat.11 Ten aanzien van de provincie [plaats] stelt de minister dat terecht de laagste gradatie van algemeen geweld is aangenomen. Hoewel de situatie fragiel is, is er geen sprake van een toename in het aantal geweldsincidenten. Ter onderbouwing heeft de minister een bijlage met recente cijfers van Syria Weekly overgelegd met daarin een weergave van de geweldsincidenten in [plaats] en de verwijdering van ontplofbare oorlogsresten.
5. ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.
6 ECLI:NL:RBDHA:2025:25445.
7 ECLI:NL:RBDHA:2025:23822.
8 ECLI:EU:C:2023:843.
9 Staatscourant 2025, 20828.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen bronnen of cijfers heeft overgelegd die een ander beeld geven dan het Algemeen Ambtsbericht Syrië (mei 2025) of de in beroep door de minister overgelegde recente cijfers van Syria Weekly. Ook heeft eiser geen individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene geweld en dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De enkele stelling van eiser dat de algemene situatie in [plaats] slecht is, zonder dit nader te onderbouwen, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op een veilige manier naar [plaats] zou kunnen reizen. De rechtbank ziet daarom in wat eiser heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat het besluit van de minister wat betreft artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet klopt.
Medische problematiek
10. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft betrokken dat eiser medische klachten heeft. Eiser verbleef niet in de HTL omdat hij overlast veroorzaakte, maar omdat hij de psychische druk niet meer aan kon en daardoor incidenten veroorzaakte. Eiser vindt dat de minister ambtshalve zijn psychische gesteldheid had moeten onderzoeken.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister ambtshalve heeft getoetst aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het enkel stellen van psychische klachten zonder deze klachten te onderbouwen niet voldoende is. Eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit volgt dat sprake is van medische (psychische) klachten of dat hij onder behandeling staat voor zijn klachten. Eiser heeft niet met medische documenten onderbouwd dat hij onder psychische druk stond en daarom overlast veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat er voor de minister geen aanknopingspunten waren om de medische gesteldheid te onderzoeken. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat vier kiezen zijn getrokken. Ook in de gebitsproblemen van eiser heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor uitstel van vertrek om medische redenen.
10. ECLI:NL:RVS:2025:3153.
11 Zie de Kamerbrief van 10 juni 2025, Kamerstukken II 2024-25, 19 637, nr. 3435.
Het terugkeerbesluit
11. Eiser stelt dat het terugkeerbesluit voorbarig is genomen. Eiser vraagt zich af hoe de minister terugkeer gaat realiseren. Slechts een klein aantal Syriërs is na de val van het Assad-regime vrijwillig teruggekeerd naar Syrië.
De rechtbank is van oordeel dat de minister een terugkeerbesluit kon opleggen. De minister heeft beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van een artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. De minister concludeert in het bestreden besluit en in de verweerschriften met een verwijzing naar het landgebonden beleid over Syrië dat terugkeer niet langer in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft de minister de asielaanvraag op goede gronden afgewezen. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de minister van het opleggen van het terugkeerbesluit had moeten afzien.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.