ECLI:NL:RBDHA:2026:1936

ECLI:NL:RBDHA:2026:1936

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer NL25.45347
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroep niet tijdig, verblijfsvergunning regulier, besluit genomen, beroep gehandhaafd, beroep niet-ontvankelijk, geen procesbelang, beroep doorgestuurd naar bestuursorgaan als bezwaar, geen bestuurlijke dwangsom, pkv-verzoek toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: D. Meier).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.45347

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Hassan),

en

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “verblijf bij een minderjarig Nederlands kind” (hierna: de aanvraag).

Op 14 oktober 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag (het reële besluit).

Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in de zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1

Hoe oordeelt de rechtbank over het beroep?

2. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat de minister alsnog zou beslissen op zijn aanvraag. Omdat de minister inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft zogezegd geen procesbelang meer bij zijn beroep.

1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag heeft mede betrekking op het reële besluit, aangezien het reële besluit niet geheel aan het beroep tegemoetkomt.2

4. Eiser heeft laten weten dat hij het niet eens is met het reële besluit en hij zal, zo begrijpt de rechtbank, bezwaar indienen bij de minister. De rechtbank zal het beroep daarom naar de minister verwijzen ter behandeling als bezwaar.3

5. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.

6. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.4 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.

Veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser?

7. Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen.5 De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit omdat de minister het besluit van 14 oktober 2025 te laat heeft genomen en eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit.

8. De minister heeft gereageerd op het verzoek van eiser en heeft aangegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van eiser te betalen.

9. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser vast op € 467,-. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet ten onrechte is ingesteld, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden.

2 Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.

3 Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.

4 Stb. 2025, 96.

5 Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.

t

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Skerka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?