Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/219893-25 en 09/304390-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/219893-25 (hierna: dagvaarding I) is gehouden op de terechtzittingen van 3 november 2025 (pro forma) en 23 januari 2026 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/304390-25 (hierna: dagvaarding II) is gehouden op de terechtzitting van 23 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Wiedeman naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Aan de verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd:
ten aanzien van dagvaarding I
ten aanzien van dagvaarding II
medeplegen van oplichting van [aangever 4] op 5 april 2025 te ’s-Gravenhage.
3. De geldigheid van dagvaarding I
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voor zover de tenlastelegging ziet op het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde, nu deze innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende duidelijk is. De raadsvrouw heeft daartoe onder andere aangevoerd dat de tenlastegelegde periode en pleegplaatsen deels niet aansluiten bij de specifiek tenlastegelegde zaken, te weten zaak 2: [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en zaak 4: [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verweer niet tijdig is gevoerd. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat voldoende duidelijk is dat de verdenking ziet op de specifiek tenlastegelegde zaken.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de dagvaarding onder meer een opgave van het ten laste gelegde feit bevatten, met vermelding van tijd en plaats, en van de omstandigheden waaronder dat feit zou zijn begaan. De opgave van het feit in de tenlastelegging moet voldoende duidelijk en feitelijk zijn zodat het voor de verdachte, in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende begrijpelijk is waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechter precies moet onderzoeken.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging, bezien in samenhang met het dossier, voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven. Het is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt verdacht, namelijk het medeplegen van oplichting van [aangever 2] en [aangever 3] . Ook het daarbij behorende zaaksnummer staat in de tenlastelegging vermeld. De onduidelijkheid die de tenlastelegging volgens de raadsvrouw bevat, een pleegplaats die niet direct aan [aangever 2] of [aangever 3] is te koppelen, is van ondergeschikt belang en niet van dien aard dat die moeten leiden tot nietigheid van de dagvaarding.
Resumerend voldoet de tenlastelegging aan de eisen van artikel 261 Sv en de dagvaarding is daarom niet nietig.
4. De bewijsbeslissing
Ten aanzien van dagvaarding II
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv. De verdachte heeft dit bewezen te verklaren feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025110738, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 93).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 5 april 2025, voor zover inhoudende (p. 7-8);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 april 2025, voor zover inhoudende (p. 30);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 april 2025, voor zover inhoudende (p. 32).
Ten aanzien van dagvaarding I
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle bij dagvaarding I tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde en heeft zich met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard, nu de rol van de verdachte past bij de kwalificatie van medeplichtigheid. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte, ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, partieel dient te worden vrijgesproken van de periode 16 juni tot en met 24 juli 2025.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting hebben de volgende feiten en omstandigheden niet ter discussie gestaan en deze feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.
Op 25 juli 2025 hebben twee oplichtingen en een poging tot oplichting plaatsgevonden. Uit de verschillende aangiften volgt dat daarbij steeds dezelfde werkwijze is gebruikt. De beoogde slachtoffers, vaak personen op leeftijd, zijn gebeld door iemand die zich voordeed als medewerker van de bank, die hen vertelde dat er een verdachte transactie op hun bankrekening had plaatsgevonden. De medewerker van de bank adviseerde hen vervolgens om hun bankpassen en waardevolle spullen af te geven aan een collega die bij hen thuis langs zou komen. Deze collega zou te herkennen zijn aan de zogenaamde ‘meldcode’ die hij zou noemen. Vervolgens verscheen de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) bij de woning van de verschillende aangevers, eerst bij [aangever 3] en daarna bij [aangever 2] . Ten aanzien van beide aangevers kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] de meldcode noemde, waarop hij de bankpassen van de aangevers overhandigd kreeg. Kort na de afgifte van de bankpassen heeft [medeverdachte] daarmee meerdere grote geldbedragen gepind. Ten aanzien van aangeefster [aangever 1] stelt de rechtbank vast dat sprake was van een poging tot oplichting, nu zij de politie heeft ingeschakeld voordat zij werd bewogen tot afgifte van haar bankpas.
Het behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen betoog – en daar is door de verdediging ook geen verweer op gevoerd – dat aangevers [aangever 3] en [aangever 2] door een combinatie van in de wet genoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot de afgifte van hun bankpassen, waarmee vervolgens geldbedragen zijn gestolen. Het behoeft evenmin betoog dat is gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.
Medeplegen
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van deze feiten.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer vast is komen te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Uit het onderzoek op de terechtzitting en de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte het volgende af. De verdachte heeft verklaard dat hij door de gebruiker van het Snapchat account ‘ [snapchataccount] ’ is gevraagd om op 25 juli 2025 als chauffeur op te treden en dat hij daarvoor betaald zou krijgen. Uit de locatiegegevens van de telefoon van de verdachte volgt dat hij [medeverdachte] vrijwel de hele dag – van 12:30 uur tot 21:30 uur – heeft rondgereden. Hij heeft [medeverdachte] naar de woningen van aangevers [aangever 3] en [aangever 2] gebracht, respectievelijk in Naarden en Heeswijk-Dinther. Vervolgens bracht hij [medeverdachte] telkens naar de dichtstbijzijnde plek waar kon worden gepind met de afhandig gemaakte bankpassen. Gedurende de dag hadden de verdachte en de [medeverdachte] contact via Snapchat om elkaar steeds zo snel mogelijk weer te kunnen vinden. Verder volgt uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte dat hij rondom de tijdstippen van de oplichtingen meermalen heeft gebeld met ‘ [snapchataccount] ’, die gelet op het dossier een aansturende rol had. Ook de verdachte ging daar vanuit, hij heeft onder meer verklaard dat [medeverdachte] de adressen waar zij naartoe reden, ontving van ‘ [snapchataccount] ’. Ook stuurt ‘ [snapchataccount] ’ naar de verdachte “rij losoe” rondom het moment dat de oplichting in Leiden misloopt.
Dat de verdachte, zoals hij op de terechtzitting heeft verklaard, dacht dat [medeverdachte] ICT-problemen moest oplossen bij de mensen waar de verdachte hem naar toereed, vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Daarbij is van belang dat wat hiervoor is vastgesteld over de Snapchatgesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte] de omstandigheid dat zij niet alleen naar personen hun huis zijn gereden, maar ook naar locaties waar geld gepind kon worden en het (bel)contact tussen de verdachte en ‘ [bijnaam] ’.
De rechtbank overweegt dat daarbij ook van belang is dat oplichtingen zoals in de onderhavige zaak alleen kunnen slagen als sprake is van een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen. Vooral omdat – wil een dergelijke fraude succesvol zijn – er snel geschakeld moet worden tussen de persoon die de aangevers belt, de persoon die de bankpassen of andere goederen ophaalt en vervolgens het geld pint en/of goederen koopt of verkoopt, en diens chauffeur.
Anders dan de verdediging heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat de rol van chauffeur, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden van het geval en in onderling verband en samenhang bezien, van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n). Daarom acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van de tenlastegelegde oplichtingen wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09/219893-25)
1
hij, op 25 juli 2025 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed, en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van haar bankpassen, contant geld en sieraden,
- heeft gebeld met [aangever 1] en zich voorgedaan als medewerker van de ING alarmcentrale,
- [aangever 1] heeft medegedeeld dat er door een geldbedrag van haar rekening was weggenomen,
- [aangever 1] heeft medegedeeld dat haar modem en telefoon bij haar thuis uitgelezen moesten worden door een collega en haar telefoon opgehaald moest worden,
- [aangever 1] heeft bevraagd naar de toegangscodes van haar betaalpassen en welke waardevolle spullen zij in de woning had liggen,
- naar de woning van [aangever 1] en/of de hoek van de [straat] is gereden,
- hier heeft aangebeld en heeft medegedeeld dat hij een zending kwam ophalen, en
- haast de modem in de woning gehurkt is gaan zitten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 25 juli 2025 te Heeswijk-Dinther en Naarden, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever 2] (zaak 2) en
- [aangever 3] (zaak 4), heeft bewogen tot
- de afgifte van enig goed, te weten bankpassen en een randomreader door
- bovengenoemde personen te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank, en
- hen mede te delen dat er verdachte transacties hebben plaatsgevonden op hun bankrekeningen, en
- langs de woning van bovengenoemde personen te komen, en
- de bankpassen mee te nemen;
3
hij op 25 juli 2025 te Berlicum en Bussum, tezamen en in vereniging met anderen,
- een geldbedrag van € 3.402,90, dat aan [aangever 2] toebehoorde (zaak 2), en
- een geldbedrag van € 4.000,-, aan [aangever 3] toebehoorde (zaak 4), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen goederen onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpassen van bovengenoemde personen contant geld op te nemen en de beveiligingscodes van deze kaarten onbevoegd te gebruiken;
Dagvaarding II (09/304390-25)
hij op 5 april 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en
door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
- twee bankpassen en twee identifiers en
- een telefoon en
- een contant geldbedrag van 5000 euro
- een grote hoeveelheid sieraden,
door
- zich voor te doen als Rik van Egmond en
- zich voor te doen als medewerker van de fraudepreventieafdeling van de bank en
- bij die [aangever 4] langs te gaan – terwijl die [aangever 4] aan de telefoon was met een onbekend gebleven persoon die zich voordeed als een medewerker van de bank/fraudepreventieafdeling – een meldcode te noemen en vervolgens die bankpassen en readers en een contant geldbedrag en sieraden mee te nemen en
- vervolgens met die bankpassen meerdere geldbedragen op te nemen;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waarbij is gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht tot toepassing van het adolescentenstrafrecht. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om bij eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard, nu geen misdrijf ten laste is gelegd dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van drie oplichtingen, twee diefstallen met valse sleutel en een poging tot oplichting. Door middel van bankhelpdeskfraudes, zogenoemde ‘babbeltrucs’, zijn van de slachtoffers op slinkse wijze geld en bankpassen afhandig gemaakt. Daarbij werden de slachtoffers langdurig aan de telefoon gehouden, onder druk gezet en in een enkel geval zelfs bedreigd. Vervolgens zijn met de bankpassen grote geldbedragen gepind. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, ook gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Daarnaast is bij de slachtoffers hun vertrouwen in de medemens aangetast, zijn zij sinds de oplichtingen argwanend en durven zij de telefoon niet meer op te nemen. Bovendien hebben de incidenten ertoe geleid dat sommige slachtoffers zich thuis niet langer veilig voelen, omdat de verdachte en zijn mededaders bij hen in de woning of aan de deur zijn geweest.
De verdachte en zijn mededaders hebben zich kennelijk alleen laten leiden door hun eigen financieel gewin en hebben geen oog gehad voor de bovengenoemde gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat vaak doelbewust mensen op leeftijd slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 november 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 december 2025. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering heeft als risicofactoren geconstateerd dat sprake is van schuldenproblematiek en dat er aanwijzingen zijn dat de verdachte zich in een negatief sociaal netwerk begeeft. Verder is door de reclassering omschreven dat de verdachte impulsief, beïnvloedbaar en onvoldoende weerbaar is waardoor hij de bedoelingen van mensen niet goed kan inschatten. Het recidiverisico wordt als gemiddeld ingeschat en de reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, dagbesteding, schuldhulpverlening, diagnostiek en ambulante behandeling en een contactverbod met de slachtoffers en medeverdachten.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd toen hij 21 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht.
De reclassering heeft – zoals hiervoor is beschreven – geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De verdachte kan weliswaar niet goed omgaan met problematische situaties, maar dat maakt volgens de reclassering nog niet dat er voldoende aanleiding is voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Door de reclassering is omschreven dat de verdachte een leven leidt op weg naar zelfstandigheid, onder meer gelet op zijn ondernemerschap en zelfstandige woonruimte.
Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank in de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het gaat om feiten waarbij de verdachte een essentiële rol heeft vervuld. Verder kwam de verdachte op de terechtzitting niet jonger over dan zijn kalenderleeftijd en was hij in staat zich goed uit te drukken. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen en zal zij daarom het volwassenenstrafrecht toepassen.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten vier maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van het contactverbod, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank ziet in hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden. Een taakstraf vindt de rechtbank in dit geval niet passend en is – gelet op de duur van het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf – ook overigens niet mogelijk gelet op hetgeen is bepaald in artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht.
Voorlopige hechtenis
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 4 november 2025 geschorst tot aan het moment van deze einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing vandaag van rechtswege eindigt. De rechtbank dient opnieuw een afweging te maken of het aflopen van de schorsing noodzakelijk is, of dat een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis op zijn plaats is. Daarbij worden de strafvorderlijke belangen bij vrijheidsbeneming afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de verdachte bij zijn vrijheid.
De verdachte heeft op de terechtzitting zijn persoonlijk belang bij zijn vrijheid toegelicht. De verdachte heeft na zijn schorsing een baan gevonden, hij heeft zich op vrijwillige basis laten begeleiden door Justice4You, een organisatie gericht op re-integratie en de verdachte is begonnen met een opleiding. Daarnaast heeft hij zich aangemeld voor schuldhulpverlening.
Daar staat het strafvorderlijk belang bij vrijheidsbeneming tegenover. Om het gewicht daarvan te bepalen, weegt de rechtbank onder andere mee dat bij dit vonnis aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd die van langere duur is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de grond als bedoeld in artikel 67a Sv, die tot het bevel tot gevangenhouding van de verdachte heeft geleid, ook nu nog van toepassing is. In dat kader overweegt de rechtbank dat het recidiverisico door de reclassering wordt ingeschat als gemiddeld, met name zolang zijn financiële situatie niet op orde is.
Nu de verdachte zich bereid en gemotiveerd heeft getoond voor begeleiding op vrijwillige basis en voor reclasseringsbegeleiding, is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico door het stellen van voorwaarden aan een schorsing voldoende kan worden geborgd. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het persoonlijk belang van de verdachte op dit moment zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal daarom bepalen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw wordt geschorst met ingang van de dag dat dit vonnis wordt uitgesproken en zal hieraan naast de algemene schorsingsvoorwaarden, een aantal bijzondere voorwaarden verbinden.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.400,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[aangever 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 15.000,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
Benadeelde partij [aangever 1]
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van deze vordering op het standpunt gesteld dat sprake is van een dusdanige normschending dat de rechtbank de aantasting in persoon mag veronderstellen. De officier van justitie acht een vergoeding van € 1.400,- redelijk en verzoekt de vordering toe te wijzen met bepaling van hoofdelijke aansprakelijkheid.
Benadeelde partij [aangever 4]
Ten aanzien van deze vordering heeft de officier van justitie verzocht om de € 5.000,- aan meegenomen contant geld toe te wijzen en daarnaast verzocht dat de rechtbank ten aanzien van de meegenomen sieraden gebruik zal maken van haar schattingsbevoegdheid.
Het standpunt van de verdediging
Benadeelde partij [aangever 1]
De verdediging heet verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade af te wijzen, nu het handelen waar de schade aan de vinger door is ontstaan in een te ver verwijderd verband staat van het aan de verdachte ten laste gelegde. Over de immateriële schade heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.
Benadeelde partij [aangever 4]
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze vordering niet aan de wettelijke vereisten voldoet nu de handtekening van de benadeelde partij ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [aangever 1] (dagvaarding I feit I)
Lichamelijk letsel
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Een verdachte is aansprakelijk voor letselschade indien hij de letselgevolgen redelijkerwijs had kunnen voorzien en deze direct uit het strafbare feit voortvloeien.
De benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij immateriële schade heeft geleden vanwege lichamelijk letsel. Door de benadeelde partij is toegelicht dat als gevolg van de worsteling die ontstond met de verdachte bij haar letselschade is ontstaan. Zij werd door hem over de grond gesleept en is tegen een geparkeerde auto aangekomen. Haar pink raakte gekneusd en zij heeft een schaafwond op haar linker pols en een bloeduitstorting op haar rechterknie opgelopen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de verdachte, nadat hij in haar woning is geweest, achterna is gerend en hem heeft geprobeerd tegen te houden, toen hij vluchtte voor de politie. De rechtbank kan – mede gelet op de onderbouwing van de vordering – niet vaststellen dat het lichamelijk letsel het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit, te weten de poging tot oplichting. Daarom zal de rechtbank de vordering op dit punt niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Aantasting in de persoon op andere wijze
Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.
Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vlg. ECLI:NL:HR:2019:793).
Door de benadeelde partij is gesteld dat zij door het handelen van de verdachte op ‘andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. Bij de gepoogde bankhelpdeskfraude in deze zaak is volgens de benadeelde partij sprake van een ernstige normschending waarmee een inbreuk is gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer en privédomein. Zij heeft toegelicht dat ze onder andere moeite had met slapen en gevoelens van angst en onveiligheid had in haar woning. Daarnaast heeft de benadeelde partij zich ernstig zorgen gemaakt over de veiligheid van haar kinderen, die tijdens de gebeurtenis aanwezig waren in de woning.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde gevoelens van angst, onveiligheid en wantrouwen bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, onvoldoende door de benadeelde partij is onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en zijn mededaders dermate psychisch nadelige gevolgen bij de benadeelde partij hebben veroorzaakt dat vast is komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De vordering zal dan ook voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Benadeelde partij [aangever 4] (dagvaarding II)
Ontbreken handtekening
De rechtbank stelt vast dat het schadeformulier niet is ondertekend. Uit het schadeformulier blijkt wel dat de benadeelde partij haar schade wil verhalen op de verdachte. Daarnaast heeft de benadeelde partij het schadeformulier grotendeels met de hand ingevuld en bij de ondertekening wel haar naam ingevuld. Onder die omstandigheden is het onmiskenbaar dat [aangever 4] , ondanks het ontbreken van haar handtekening op de vordering, een vordering heeft willen indienen en zal zij beschouwd worden als gevoegde benadeelde partij.
Materiële schade
De rechtbank begrijpt de vordering zo dat reeds € 1.500,- van de geleden schade is vergoed. De benadeelde partij heeft gesteld dat er € 5.000,- aan contante geldbedragen en € 10.000,- aan sieraden is weggenomen.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan, voor zover het gaat om het weggenomen contante geld, worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De schade is namelijk ontstaan doordat het geld door (medeplegen van) de verdachte is weggenomen. De vordering is door de verdachte bovendien niet (gemotiveerd) betwist, zodat de rechtbank dit deel van de vordering zal toewijzen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post van de weggenomen sieraden, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze post niet nader is onderbouwd.
De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen, ter grootte van het gevorderde bedrag en daarop € 1.500,- in mindering brengen. Dat betekent dat zij een bedrag van
€ 3.500,- zal toewijzen. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 april 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het onder dagvaarding I bewezenverklaarde feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezen verklaarde strafbare feit hoofdelijk worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 4] .
9. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verder gevorderd dat:
de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst dagvaarding I, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard;
de inbeslaggenomen telefoon (dagvaarding II) zal worden teruggegeven aan de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om teruggave van de twee telefoons van de verdachte. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag heeft de verdediging verzocht dat dit ten behoeve van de slachtoffers komt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst van dagvaarding I onder 1 genoemde voorwerp, te weten het geldbedrag van € 235,-, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het aan verdachte toebehoort en dit voorwerp geheel of grotendeels door middel van de bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen.
De rechtbank zal het op de beslaglijst van dagvaarding I onder 2 genoemde voorwerp, te weten de telefoon Apple Zwart, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het aan verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp de bij dagvaarding I bewezenverklaarde feiten zijn begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de telefoon met goednummer PL1500-2025110738-3330256 (dagvaarding II).
10. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte alle bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Dagvaarding I
ten aanzien van feit 1:
poging tot medeplegen van oplichting;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
Dagvaarding II
medeplegen van oplichting;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- meldplicht
zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. Tevens dient de veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die hem in dit kader gegeven zullen worden;
ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Family Supporters of een soortgelijke forensische behandelingstelling, te bepalen door de toezichthouder. De behandeling vindt plaats zo frequent en zo lang de behandelaar geïndiceerd acht en op aanwijzing van de toezichthouder. Indien de behandelaar het geïndiceerd acht, dan dient de veroordeelde zijn medewerking te verlenen aan diagnostiek;
dagbesteding
- zijn medewerking verleent aan het realiseren en behouden van een dagbesteding (werk en/of school);
realiseren inkomen en schuldhulpverlening
- medewerking verleent aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
voorlopige hechtenis
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 6 februari 2026 onder de voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
- als hij voor de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- geen strafbare feiten zal plegen;
- gehoor zal geven aan iedere oproeping van politie en justitie;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. Tevens dient de veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die hem in dit kader gegeven zullen worden;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Family Supporters of een soortgelijke forensische behandelingstelling, te bepalen door de toezichthouder. De behandeling vindt plaats zo frequent en zo lang de behandelaar geïndiceerd acht en op aanwijzing van de toezichthouder. Indien de behandelaar het geïndiceerd acht, dan dient de veroordeelde zijn medewerking te verlenen aan diagnostiek;
- zijn medewerking verleent aan het realiseren en behouden van een dagbesteding (werk en/of school);
- medewerking verleent aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft inzicht in zijn financiën en schulden;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (Dagvaarding I, feit I)
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [aangever 4] (Dagvaarding II)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 4]
deels toe tot een bedrag van € 3.500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 4] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 3.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 4] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst van dagvaarding I onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten: 235,00 EUR Geld Euro; 1 STK Telefoonautomaat;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst van dagvaarding II onder 1 genoemde voorwerp, te weten: de telefoon met goednummer PL1500-2025110738-3330256.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.R.F. van Engelen, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2026.
Bijlage I: Tekst tenlastelegging
Dagvaarding I (09/219893-25)
1
hij, op of omstreeks 25 juli 2025 te Leiden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar bankpassen, contant geld en/of sierraden,
- heeft gebeld met [aangever 1] en zich voorgedaan als medewerker van de ING alarmcentrale,
- [aangever 1] heeft medegedeeld dat er door een geldbedrag van haar rekening was weggenomen,
- [aangever 1] heeft medegedeeld dat haar modem en/of telefoon bij haar thuis uitgelezen moesten worden door een collega en haar telefoon opgehaald moest worden,
- [aangever 1] heeft bevraagd naar de toegangscodes van haar betaalpassen en welke waardevolle spullen zij in de woning had liggen,
- naar de woning van [aangever 1] en/of de hoek van de [straat] is gereden,
- hier heeft aangebeld en heeft medegedeeld dat hij een zending kwam ophalen, en/of
- haast de modem in de woning gehurkt is gaan zitten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven mededaders, of omstreeks 25 juli 2025 te Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
te weten de afgifte van haar bankpassen, contant geld en/of sierraden,
- heeft gebeld met [aangever 1] en zich voorgedaan als medewerker van de ING alarmcentrale,
- [aangever 1] heeft medegedeeld dat er door een geldbedrag van haar rekening was weggenomen,
- [aangever 1] heeft medegedeeld dat haar modem en/of telefoon bij haar thuis uitgelezen moesten worden door een collega en haar telefoon opgehaald moest worden,
- [aangever 1] heeft bevraagd naar de toegangscodes van haar betaalpassen en welke waardevolle spullen zij in de woning had liggen,
- naar de woning van [aangever 1] en/of de hoek van de [straat] is gereden,
- hier heeft aangebeld en heeft medegedeeld dat hij een zending kwam ophalen, en/of
- haast de modem in de woning gehurkt is gaan zitten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25 juli 2025 te Leiden althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft, door zijn personenauto (met kenteken [kenteken] ) ter beschikking te stellen en/of [medeverdachte] te vervoeren naar de [straat] te Leiden;
2
hij, in of omstreeks de periode van 16 juni 2025 tot en met 25 juli 2025 te Heeswijk-Dinther, Den Dungen, Naarden en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever 2] (zaak 2),
- [aangever 3] (zaak 4), en/of heeft bewogen tot
- de afgifte van enig goed, te weten (een) bankpas(sen), creditkaart(en), een randomreader en/of sieraden (met een waarde van ongeveer €40.000,-), en/of
- het ter beschikking stellen van gegevens, te weten pincodes en/of inlogcodes, door
- bovengenoemde perso(o)n(en) te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank, en/of
- bovengenoemde perso(o)n(en) te bellen en zich voor te doen als politieagent, en/of
- hen mede te delen dat er fraude en/of verdachte en/of opvallende transacties hebben plaatsgevonden op hun bankrekening(en), en/of
- hen te vragen naar de in huis aanwezige sieraden, en/of
- hen te vragen naar de pincodes en/of inlogcodes van de bankpassen en/of creditkaarten, en/of
- langs de woning van bovengenoemde perso(o)n(en) te komen, en/of
- de bankpas(sen) en creditkaart(en) en/of sieraden mee te nemen;
3
hij, in of omstreeks de periode van 16 juni 2025 tot en met 25 juli 2025 te Berlicum, Den Dungen, Bussum en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een geldbedrag van €3.402,90, dat geheel of ten dele aan [aangever 2] toebehoorde (zaak 2), en/of
- een geldbedrag van €4.000,-, dat geheel of ten dele aan [aangever 3] toebehoorde (zaak 4), en/of in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen goederen onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpassen en/of credit card van bovengenoemde personen contant geld op te nemen en/of de beveiligingscodes van deze kaarten (onbevoegd) te gebruiken;
Dagvaarding II (09/304390-25)
hij op of omstreeks 5 april 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- één of meerdere (twee) bankpassen en één of meerdere (twee) identifiers en/of
- een telefoon en/of
- een contant geldbedrag van (ongeveer) 5000 euro
- een grote hoeveelheid, althans één of meerdere sieraden,
door
- zich voor te doen als Rik van Egmond en/of
- zich voor te doen als medewerker (van de fraudepreventieafdeling) van de bank en/of
- bij die [aangever 4] langs te gaan – terwijl die [aangever 4] aan de telefoon was met een onbekend gebleven persoon die zich voordeed als een medewerker van de bank/fraudepreventieafdeling – een meldcode te noemen en (vervolgens) die bankpas(sen) en/of reader(s) en/of een contant geldbedrag en/of één of meerdere sieraden mee te nemen en/of
- ( vervolgens) met die bankpas(sen) een of meerdere geldbedragen op te nemen;