Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/219895-25, 08/336079-25, 09/006537-26 (ttz. gev.) en 15/205692-24 (tul)
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ([land]),
Verblijfadres: [adres 1], [postcode] te [woonplaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/219895-25 (hierna: dagvaarding I) is gehouden op de terechtzittingen van 3 november 2025 (pro forma) en 23 januari 2026 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek in de zaken met parketnummers 08/336079-25 (hierna: dagvaarding II) en 09/006537-26 (hierna: dagvaarding III) is gehouden op de terechtzitting van 23 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. H. Blaauw naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
ten aanzien van dagvaarding I
ten aanzien van dagvaarding II
medeplegen van oplichting van [benadeelde 6] op 4 juli 2025 te Wijhe;
ten aanzien van dagvaarding III
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen dagvaardingen I, II en III
De rechtbank zal voor de feiten, met uitzondering van zaak 3: [benadeelde 3] (feit 2 en 3 op dagvaarding I) met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) volstaan. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH6R025054 (ELS), van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 596). De bewijsmiddelen – en ook de onderdelen daarvan – worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens de inhoud ervan betrekking hebben.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026;
- Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], opgemaakt op 25 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 53-56);
- Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2], opgemaakt op 26 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 98-100);
- Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 101);
- Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4], opgemaakt op 28 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 271-275);
- Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5], opgemaakt op 21 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 317-319);
- Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 179-183, bijlagen p. 184-197).
Ten aanzien van dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL0600-2025316476, van de politie eenheid Oost-Nederland, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 57).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026;
- Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6], opgemaakt op 4 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 6-8).
Ten aanzien van dagvaarding III
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH6R025054 (ELS), van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 596). De bewijsmiddelen – en ook de onderdelen daarvan – worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens de inhoud ervan betrekking hebben.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026;
- Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7], opgemaakt op 16 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 553-555).
Ten aanzien van zaak 3: [benadeelde 3] onder feit 2 en 3 op dagvaarding I
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde oplichting en diefstal van aangeefster [benadeelde 3].
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de oplichting en diefstal van aangeefster [benadeelde 3] bewezen kunnen worden verklaard voor zover het gaat om de afgifte van haar bankpassen en het vervolgens pinnen met die bankpassen. Door de raadsman is partiële vrijspraak bepleit van de oplichting voor zover die ziet op de sieraden van aangeefster [benadeelde 3].
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH6R025054 (ELS), van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 596).
- Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3], opgemaakt op 25 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 219-223, bijlage p. 224-228):
De aangever verklaarde:
Ik doe hierbij aangifte van gekwalificeerde diefstal in en uit mijn woning aan de [adres 2] in Den Dungen. Het incident heeft plaatsgevonden op 24 juli 2025. Op 24 juli 2025 omstreeks 18:30 uur werd ik gebeld door een persoon die zich voorstelde als [naam], een medewerker van mijn bank ABN. Ik hoorde dat hij mij vertelde dat er verdachte transacties op mijn bankrekening waren waargenomen. Hij gaf aan dat deze transacties geblokkeerd moesten worden. In deze gesprekken vroegen ze mij de volgende gegevens: Ik hoorde dat hij vroeg of mijn twee rekeningnummers eindigde op bepaalde getallen. Ik had ook nog een creditcard. Ook hiervoor vroeg hij om de eindcijfers van dit rekeningnummer om te verifiëren. Ze deden alle rekeningen apart blokkeren en deden dit stap voor stap hetzelfde, dat proces zag er als volgt uit:De bankmedewerker verifieerde de laatste cijfers van mijn rekeningnummer. Ik moest van hem via mijn ABN randomreader van de bank (mijn eigen kastje) inloggen. Ik deed dit en er komt op mijn kastje dan een code te staan. Deze code moest ik telefonisch doorgeven aan de bankmedewerker. Als eerste deden ze bovenstaande proces met de bankrekening met het volgende nummer [rekeningnummer 1], [benadeelde 3]. Als tweede deden ze bovenstaande proces met bankrekeningnummer [rekeningnummer 2], [benadeelde 3]. Als derde deden ze dit met mijn creditcard, die rekening eindigt om [nummer 1]. Het precieze nummer weet ik niet meer. Mijn klantnummer van deze rekening is [nummer 2]. De creditcard is van de ABN Amro, [benadeelde 3]. Bovenstaande proces is dus in totaal drie keer herhaald waarin ik telkens die gegevens moest doorgeven. Hij vertelde me dat er iemand van PostNL kwam om de pasjes bij mij thuis op te halen op 24 juli 2025, omstreeks 20.30 uur en gaf me de code [code]. Deze code moest ik aan de PostNL medewerker doorgeven. Later op de avond zijn er twee mannen op mijn adres verschenen op twee verschillende tijdstippen. Beide personen hadden een code die ik eerder telefonisch had afgesproken met de persoon die zich voordeed als bankmedewerker/politie. Eerste bezoek was op 24 juli 2025, omstreeks 20.30 uur. Signalement van de persoon:- Jonge man, ongeveer 20 jaar oud.- Licht getint.- Donker haar.- Geen gezichtsbeharing.- Licht shirt en grijze broek.Deze persoon kwam aan de deur om twee bankpassen, een creditcard en een randomreader op te halen. Ik gaf deze spullen aan hem mee. Na ontvangst is hij weer vertrokken. Ik had ten tijde van aankomst van deze man nog steeds de bankmedewerker aan de telefoon. Toen ik alle handelingen had verricht vertelde de bankmedewerker dat ik doorverbonden zou worden met de recherche/fraude/politie omdat de verdachte transactie had voorgevallen.Ik kreeg iemand van de politie aan de telefoon. Ik hoorde dat dit een andere man was. Ik hoorde dat de man van de politie het volgende vertelde:"Er zou gisteravond, op 23 juli 2025, rond 00.30 uur, een overlastmelding zijn geweest. Ze hielden daarvan twee verdachten aan en een persoon was ontkomen. Tijdens het onderzoek zouden ze inbrekerswerktuigen gevonden hebben. Op de telefoon van de verdachte stonden adresgegevens. Deze adressen zouden mogelijk in het bezit zijn van sieraden en contant geld. Mijn adres stond op deze lijst. Er stonden specifieke foto's van sieraden op de telefoon van de verdachte. Ik hoorde dat de politieman vertelde dat ze zagen dat er vandaag opnieuw een fraude melding was geweest aan mijn adres, wat in de buurt was van de bovenstaande verdachte situatie. Ik vertelde hem dat ik geen contant geld in huis had maar wel sieraden in huis had. Ik hoorde dat hij zei: "De verdachte zijn aangehouden maar er was weinig tegen hen gevonden. Om hen langer vast te kunnen houden wilde ze zaken bundelen en meer bewijs verzamelen. Op deze manier konden ze de verdachte mogelijk langer houden zoals drie dagen." Ik hoorde dat de man vroeg: "Kunt u al uw sieraden pakken en deze wegen, het goud en zilver moet los gewogen worden." Ik woog al mijn spullen en maakte een lijstje met wat voor sieraden ik had. Ik beschreef aan de man alles wat ik had. Ik hoorde dat de man zei: "Er moet mogelijk een expert kijken naar de sieraden om bedragen vast te stellen, deze man kon op 24 juli 2025, omstreeks 21.30 uur, bij mij zijn. Tweede bezoek was omstreeks 24 juli 2025, omstreeks 21.45 uur. Signalement van de persoon:- Jonge man, ongeveer 20 jaar oud.- Licht getint.- Kort donker haar.- Geen gezichtsbeharing.- Lichtgrijze trui.Deze persoon kwam aan de deur om sieraden op te halen. Hij heeft een grote hoeveelheid sieraden meegenomen met een geschatte waarde van 40.000,- euro.Na het overhandigen van de eigendommen kreeg ik het vermoeden dat er sprake was van een misdrijf. Ik belde daarna de bank en hoorde dat er verschillende bedragen waren afgeschreven. De bedragen zijn als volgt afgeschreven:
[rekeningnummer 1] 24 juli 2025, 20.25 uur, 1800,- euro afgeschreven bij de geldmaat aan de Litserstraat in Den Dungen.24 juli 2025, 20.26 uur, 1800,- euro afgeschreven bij de geldmaat aan de Litserstraat in Den Dungen.
[rekeningnummer 2]:24 juli 2025, 20.27 uur, 1000,- euro afgeschreven bij de geldmaat aan de Litserstraat in Den Dungen. Het nummer van de geldmaat is: 920242.
Creditcard ABN Amro, die rekening eindigt op [nummer 1]. 24 juli 2025, om 20:39 uur en 35 seconden, 500,- euro afgeschreven bij de geldmaat Mercuriusplein in Berlicum.24 juli 2025, om 20.40 uur en 19 seconden, 500,- euro afgeschreven bij de geldmaat Mercuriusplein in Berlicum.24 juli 2025, om 20.41 uur en 2 seconden, 500,- euro afgeschreven bij de geldmaat Mercuriusplein in Berlicum.24 juli 2025, om 20.41 uur en 42 seconden, 500,- euro afgeschreven bij de geldmaat Mercuriusplein in Berlicum.
Er is in totaal dus voor 6600,- euro gestolen en de sieraden. Voor de sieraden verwijs ik door naar de goederenbijlage.
- De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026, voor zover inhoudende:
U houdt mij voor dat uit de aangifte van [benadeelde 3] volgt dat twee mensen op afzonderlijke momenten bij haar langs zijn geweest, waarbij eerst haar bankpassen en daarna sieraden zijn meegenomen. U vraagt mij of ik de transacties heb verricht met haar bankpassen. Dat klopt. U vraagt mij of dat mijn vaste rol was. Ja, dat was mijn vaste rol. Er werd wel aan mij gevraagd om de sieraden ook op te halen, maar ik heb gezegd dat ik dat niet wilde. Ik wist dat er ook sieraden bij haar opgehaald zouden worden. U, de officier van justitie, vraagt of ik de sieraden te ver vond gaan. Ik wilde niet gepakt worden dus daarom wilde ik niet nog een keer teruggaan.
- Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 179, 182, 183, bijlage p. 191-197):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 25 juli 2025 werden op heterdaad twee verdachten aangehouden voor een (poging tot) oplichting. Eén van de aangehouden verdachten betrof [verdachte], geboren [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ([land]). Bij zijn aanhouding werd in zijn linker broekzak een mobiele telefoon aangetroffen. Bij zijn verhoor verklaarde [verdachte] dat zijn mobiele telefoon een blauwe iPhone was en dat deze door de politie inbeslaggenomen was. Ik concludeer daarom dat de mobiele telefoon met goednummer 3352805 eigendom is van [verdachte] en bij hem in gebruik is. De mobiele telefoon werd vervolgens uitgelezen en de Snapchatgesprekken in de door de officier genoemde periode werd aan mij beschikbaar gesteld. Vervolgens bekeek ik de Snapchatgesprekken. Ik zag dat de gebruiker van de mobiele telefoon gebruikmaakte van het account met de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ” en de schermnaam “[schermnaam 1]” (de rechtbank begrijpt het proces-verbaal zo dat de politie de verdachte vervolgens met “[verdachte]” aanduidt in de weergave van Snapchat-gesprekken).
SNAPCHATGESPREKKEN
Snapchat-groepsgesprek [schermnaam 4], [schermnaam 2], [verdachte] en [schermnaam 3]
Op 23 juli 2025 werd er in een groepsgesprek met [verdachte], “[schermnaam 4]”, “[schermnaam 2]” en een gebruiker met de Snap-ID [ID] (hierna te noemen [schermnaam 3]) een mediabestand gedeeld, bijlage 3. Ik zag in dit gesprek dat [schermnaam 3] op 24 juli 2025 om 20:10 stuurde: “[code]”. In de aangifte van mevrouw [benadeelde 3] zag ik dat zij van de persoon die zich voordeed als medewerker van de fraudehelpdesk te horen had gekregen dat op 24 juli 2025 rond 20:30 uur iemand van de bank langs zou komen en de code [code] zou noemen. Ook zag ik dat [schermnaam 3] in de groep stuurde: “[nummer 3]”, “pin cc”. Ik zag in de aangifte van mevrouw [benadeelde 3] dat zij ook haar creditcard had afgestaan. Op 11 augustus 2025 nam ik contact op met mevrouw [benadeelde 3]. Ik hoorde dat [benadeelde 3] onder andere zei dat de pincode van haar creditcard [nummer 3] was. [schermnaam 2] vroeg vervolgens of er nog inboedel was, waarna een audiogesprek met de deelnemers volgde. Op 25 juli 2025 in dezelfde groep stuurde [schermnaam 3] “Fit ?”. [verdachte] antwoordde: “straks man”, waarna [schermnaam 3] stuurde “vanaf hlt?”. [verdachte] antwoordde: “half 7”, waarna [schermnaam 2] stuurde: “nee hij is fitt gwn”. Vervolgens stuurde [schermnaam 3]: “@[schermnaam 2] kijk ondertussen voor die zwaaispot”, en werd er besproken waar de zwaaispot zou zijn en meldde [schermnaam 2] dat de cartier heet was, maar de klok slow is. Voor die bandjes van 9k kon hij 5k krijgen. Ik vermoed dat dit de sieraden betreft. Ik zag in de aangifte van [benadeelde 3] dat van haar onder andere een Cartier horloge was afgenomen.
Ik maakte uit dit hele gesprek op dat [schermnaam 3] de aanstuurder is, [schermnaam 2] zorg droeg voor het verkopen van de buit en [verdachte] de persoon is die de transacties verrichtte en de pas(sen) ophaalde.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van oplichting voor zover die ziet op de sieraden van aangeefster [benadeelde 3]. De raadsman heeft in dat kader bepleit dat de sieraden zijn opgehaald door een tweede persoon, niet zijnde de verdachte, en dat hij aan dat deel van de oplichting dus geen materiële of intellectuele bijdrage heeft geleverd.
De rechtbank stelt in dat kader voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer vast is komen te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Uit het onderzoek op de terechtzitting en de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte het volgende af. Aangeefster [benadeelde 3] is op 24 juli 2025 gebeld door een persoon die zich voordeed als medewerker van de bank, die haar vertelde dat er een verdachte transactie op haar bankrekening had plaatsgevonden. De medewerker van de bank adviseerde haar om bankpassen en waardevolle spullen af te geven aan een collega die bij haar thuis langs zou komen. Deze collega zou te herkennen zijn aan de zogenaamde ‘meldcode’ die hij moest noemen. Vervolgens is de verdachte bij de woning van de aangeefster langsgegaan, waar hij de meldcode noemde en hij de bankpassen van haar overhandigd kreeg. Kort hierna heeft de verdachte meerdere grote geldbedragen gepind met die bankpassen. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat dat de verdachte de bankpassen die dag omstreeks 20:30 uur bij de aangeefster heeft opgehaald en dat de sieraden ongeveer een uur later zijn opgehaald door een ander persoon.
Uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat hij op 24 en 25 juli 2025 deelnam aan een Snapchat-groepsgesprek waarin instructies en updates over de buit van aangeefster [benadeelde 3] werden gegeven. Op basis van die Snapchatberichten en de verklaring van de verdachte op de terechtzitting, inhoudende dat hij wist dat er bij aangeefster [benadeelde 3] ook sieraden meegenomen zouden gaan worden en dat aan hem is gevraagd om die bij haar op te halen, stelt de rechtbank vast dat de verdachte onderdeel was van de oplichting in zijn geheel en dat hij daarom als medepleger van de oplichting ten aanzien van de bankpassen én de sieraden kan worden aangemerkt. Dat de verdachte uiteindelijk fysiek niet aanwezig is geweest bij het ophalen van de sieraden, doet daar niet aan af, nu zijn aandeel bij deze oplichting van voldoende gewicht was. Daarbij is van belang dat oplichtingen zoals die in de onderhavige zaak alleen kunnen slagen als sprake is van een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen. Vooral omdat – wil een dergelijke fraude succesvol zijn – er snel geschakeld moet worden tussen de persoon die de (potentiële) slachtoffers belt, de persoon die de bankpassen of andere goederen ophaalt en vervolgens het geld pint en/of goederen koop of verkoopt, en diens chauffeur.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Daarom is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleger is van de oplichting en diefstal van aangeefster [benadeelde 3], waaronder dus ook de oplichting voor zover die ziet op de sieraden.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1
hij, op 25 juli 2025 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van haar bankpassen, contant geld en/of sierraden,
- heeft gebeld met [benadeelde 1] en zich voorgedaan als medewerker van de ING alarmcentrale,
- [benadeelde 1] heeft medegedeeld dat er door een geldbedrag van haar rekening was weggenomen,
- [benadeelde 1] heeft medegedeeld dat haar modem en telefoon bij haar thuis uitgelezen moesten worden door een collega en haar telefoon opgehaald moest worden,
- [benadeelde 1] heeft bevraagd naar de toegangscodes van haar betaalpassen en welke waardevolle spullen zij in de woning had liggen,
- Naar de woning van [benadeelde 1] aan de [straatnaam] is gereden,
- Hier heeft aangebeld en heeft medegedeeld dat hij een zending kwam ophalen, en
- Naast de modem in de woning gehurkt is gaan zitten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 25 juli 2025 te Heeswijk-Dinther, Den Dungen, Naarden en 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
- [benadeelde 2] (zaak 2),
- [benadeelde 3] (zaak 3),
- [benadeelde 4] (zaak 4), en
- [benadeelde 5] (zaak 5), heeft bewogen tot
- de afgifte van enig goed, te weten bankpassen, creditkaarten, een randomreader en sieraden met een waarde van ongeveer € 40.000,-, en
- het ter beschikking stellen van gegevens, te weten pincodes en inlogcodes,
door
- bovengenoemde personen te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank, en
- bovengenoemde persoon te bellen en zich voor te doen als politieagent, en
- hen mede te delen dat er verdachte transacties hebben plaatsgevonden op hun bankrekeningen, en
- hen te vragen naar de in huis aanwezige sieraden, en
- hen te vragen naar de pincodes en inlogcodes van de bankpassen en/of creditkaarten, en
- langs de woning van bovengenoemde personen te komen, en
- de bankpassen en creditkaarten en/of sieraden mee te nemen;
3
hij, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 25 juli 2025 te Berlicum, Den Dungen, Bussum en 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen,
- een geldbedrag van € 3.402,90, dat aan [benadeelde 2] toebehoorde (zaak 2), en
- een geldbedrag van € 6.600,-, dat aan [benadeelde 3] toebehoorde (zaak 3), en
- een geldbedrag van € 4.000,-, dat aan [benadeelde 4] toebehoorde (zaak 4), en
- een geldbedrag van € 7816,70, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 5] toebehoorde (zaak 5), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door met de bankpassen en/of credit card van bovengenoemde personen contant geld op te nemen;
Dagvaarding II
hij op 4 juli 2025 te Wijhe, althans in de gemeente Olst-Wijhe, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
- meerdere bankpassen van de ABN AMRO Bank, en
- een e.dentifier/een kaartlezer van de ABN AMRO Bank,
door
- voornoemde [benadeelde 6] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als bankmedewerker(s),
- voornoemde [benadeelde 6] te melden dat zij wordt doorverbonden met iemand die verstand heeft van foute boekingen die op de bankrekening van voornoemde [benadeelde 6] te zien zijn/waren,
- voornoemde [benadeelde 6] te melden dat er een geldbedrag van € 650,- was overgemaakt naar Zuid-Afrika door een persoon in Breda,
- voornoemde [benadeelde 6] te melden dat er een rare transactie was gedaan, dat het geld teruggestort zou worden, dat de e-reader/identifier van voornoemde [benadeelde 6] vernieuwd zou worden en dat er iemand langs zou komen,
- voornoemde [benadeelde 6] te instrueren haar pasjes in een envelop te stoppen, op genoemde envelop een code te schrijven en haar pincode af te geven,
- zich al dan niet in de hoedanigheid van bankmedewerker te melden bij de woning van voornoemde [benadeelde 6],
- aldaar de voornoemde bankpassen en e.dentifier/kaartlezer in een envelop in ontvangst te nemen, en
- aldus voornoemde [benadeelde 6] te bewegen tot de afgifte van genoemde goederen;
Dagvaarding III
1
hij, op 16 juli 2025 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
- [benadeelde 7] (zaak 6) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas, door
- [benadeelde 7] te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank, en
- hem mede te delen dat er een dubieuze transactie heeft plaatsgevonden op zijn bankrekening en zijn spaarrekening slechts verzekerd was tot € 5.000,-, en
- hem via een email te vragen naar zijn pincode,
- langs zijn woning van te komen en een (verificatie) code op te geven, en
- de bankpas mee te nemen;
2
hij, op of omstreeks 16 juli 2025 te Amsterdam,
- een geldbedrag van € 13.600,00, dat aan [benadeelde 7] toebehoorde (zaak 6), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpas en pincode van [benadeelde 7] een horloge te kopen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 249 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte op te leggen zes maanden jeugddetentie, waarvan 119 dagen onvoorwaardelijk en de rest voorwaardelijk, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van in ieder geval ruim een maand schuldig gemaakt aan het medeplegen van zes oplichtingen, vijf diefstallen met een valse sleutel en een poging tot oplichting. Door middel van bankhelpdeskfraudes, zogenoemde ‘babbeltrucs’, zijn van de slachtoffers op slinkse wijze geld, sieraden met emotionele waarde en bankpassen afhandig gemaakt. Daarbij werden de slachtoffers langdurig aan de telefoon gehouden, onder druk gezet en in een enkel geval zelfs bedreigd. De verdachte heeft vervolgens met de bankpassen grote geldbedragen gepind en (dure) goederen gekocht. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, ook gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij slachtoffers teweeg hebben gebracht. Daarnaast is bij de slachtoffers hun vertrouwen in de medemens aangetast, zijn zij sinds de oplichtingen argwanend en durven zij de telefoon niet meer op te nemen. Bovendien heeft het handelen van de verdachte ertoe geleid dat sommige slachtoffers zich thuis niet langer veilig voelen, omdat hij bij hen in de woning of aan de deur is geweest.
De verdachte en zijn mededaders hebben zich kennelijk alleen laten leiden door hun eigen financieel gewin en hebben geen oog gehad voor de bovengenoemde gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat vaak doelbewust mensen op leeftijd slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij de onderhavige feiten heeft gepleegd tijdens een lopende proeftijd van een eerdere veroordeling.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 29 oktober 2025 en 14 januari 2026. De reclassering adviseert toepassing van het adolescentenstrafrecht. Uit de rapporten volgt verder dat sprake is van kwetsbaarheid, een verstandelijke beperking en beïnvloedbaarheid bij de verdachte. Volgens de reclassering begaf de verdachte zich destijds binnen een negatief sociaal netwerk, maar hiervan lijkt inmiddels geen sprake meer te zijn. De reclassering ziet als risicofactoren dat bij de verdachte sprake is van schuldenproblematiek en dat hij onvoldoende in staat is zich te kunnen weren wanneer er sprake is van groepsdruk. Het recidiverisico wordt als gemiddeld tot hoog ingeschat en de reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, aflossing van zijn schulden, een avondklok en begeleiding door een coach Intensieve Forensische Aanpak.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd toen hij 19 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht.
De reclassering heeft in haar bovengenoemde rapporten op basis van het wegingskader adolescentenstrafrecht geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Volgens de reclassering kan de verdachte de risico’s van zijn handelen vergeleken met zijn leeftijdsgenoten niet goed inschatten en komt hij in gesprek jonger over dan zijn kalenderleeftijd. De reclassering ziet in zijn kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid eveneens aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht.
Anders dan de reclassering, de officier van justitie en de raadsman ziet de rechtbank in de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het gaat om feiten waarbij de verdachte een essentiële rol heeft vervuld. Niet is gebleken dat hij handelde vanuit groepsdruk, maar dat hij handelde vanuit weloverwogen financiële motieven. Op de terechtzitting sprak hij over “werk” dat gedaan moest worden en het geld dat hij nodig had. De verdachte heeft na het gebruik van het woord “werk” spontaan gezegd dat dit woord misplaatst is omdat wat hij deed geen normaal werk was, maar ook dat hij het wel als zijn werkzaamheden of activiteiten zag om aan inkomsten te komen. De verdachte heeft gedurende een periode van ruim een maand telkens bewust de keuze gemaakt om lucratieve strafbare feiten te plegen. Dat hij in staat was om doordachte keuzes te maken blijkt ook uit zijn verklaring op de terechtzitting. Zo verklaarde hij dat hij bij aangeefster [benadeelde 3] heeft besloten om nog niet nogmaals bij haar langs te gaan om ook nog sieraden te gaan ophalen, omdat hij niet gepakt wilde worden. Verder kwam de verdachte op de terechtzitting niet jonger over dan zijn kalenderleeftijd en was hij in staat zich goed uit te drukken. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen en zal zij het volwassenenstrafrecht toepassen.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de proceshouding van de verdachte, nu hij vanaf zijn eerste politieverhoor grotendeels openheid van zaken heeft gegeven en enige verantwoordelijkheid heeft genomen voor de laakbaarheid van zijn handelen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zestien maanden passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten vier maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank ziet in wat de officier van justitie heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden. Een taakstraf al of niet in combinatie met een vrijheidsstraf acht de rechtbank in dit geval niet passend.
Voorlopige hechtenis
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 19 november 2025 geschorst tot aan het moment van deze einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing vandaag van rechtswege eindigt. De rechtbank dient opnieuw een afweging te maken of het aflopen van de schorsing noodzakelijk is, of dat een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis op zijn plaats is. Daarbij worden de strafvorderlijke belangen bij vrijheidsbeneming afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de verdachte bij zijn vrijheid.
Door de verdediging is verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdachte heeft op de terechtzitting zijn persoonlijk belang bij zijn vrijheid toegelicht. De verdachte heeft na zijn schorsing een woning gekregen bij [instantie], waar hij wordt begeleid met het oog op zelfstandig wonen. Daarnaast heeft hij een baan gevonden en laat hij zich begeleiden door een coach Intensieve Forensische Aanpak.
Daar staat het strafvorderlijk belang bij vrijheidsbeneming tegenover. Om het gewicht daarvan te bepalen, weegt de rechtbank onder andere mee dat bij dit vonnis aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd die van langere duur is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de grond als bedoeld in artikel 67a Sv, die tot het bevel tot gevangenhouding van de verdachte heeft geleid, ook nu nog van toepassing is. In dat kader overweegt de rechtbank dat het recidiverisico door de reclassering wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog, gelet op de verstandelijke beperking van de verdachte, zijn kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid. Gelet daarop zal de rechtbank de voorlopige hechtenis niet opheffen, zoals door de verdediging is verzocht.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen. Nu is gebleken dat de verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis grotendeels aan de voorwaarden en gemaakte afspraken heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico door het stellen van voorwaarden aan een schorsing voldoende kan worden geborgd. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het persoonlijk belang van de verdachte op dit moment zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal daarom bepalen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw wordt geschorst met ingang van de dag dat dit vonnis wordt uitgesproken en zal hieraan naast de algemene schorsingsvoorwaarden, een aantal bijzondere voorwaarden verbinden.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert – na wijziging op de terechtzitting in verband met reeds vergoede schade – een schadevergoeding van € 51.869,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 51.244,- aan materiële schade en € 625,- aan immateriële schade.
[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.637,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat – naar de rechtbank begrijpt – uit € 13.600,- aan materiële schade en € 37,- aan affectieschade dan wel rente.
Het standpunt van de officier van justitie
Benadeelde partij [benadeelde 3]
Ten aanzien van deze vordering heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zowel de immateriële als de materiële schade voldoende is onderbouwd. De officier van justitie heeft verzocht het gevorderde bedrag in zijn geheel toe te wijzen.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot deze vordering op het standpunt gesteld dat sprake is van een dusdanige normschending dat de rechtbank de aantasting in de persoon op andere wijze mag veronderstellen. De officier van justitie acht een schadevergoeding van € 1.400,- redelijk en verzoekt de vordering toe te wijzen met bepaling van hoofdelijke aansprakelijkheid.
Benadeelde partij [benadeelde 7]
Ten aanzien van deze vordering heeft de officier van justitie verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, nu duidelijk is geworden dat de bank € 13.600,- heeft vergoed en niet is onderbouwd wat de grondslag is van de overig gevorderde € 37,-.
Het standpunt van de verdediging
Benadeelde partij [benadeelde 3]
Ten aanzien van deze vordering heeft de verdediging gelet op de bepleite partiële vrijspraak verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de posten onvoldoende zijn onderbouwd en een te grote belasting op het strafgeding opleveren.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
Ten aanzien van deze vordering heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen geweldshandelingen ten laste zijn gelegd. De letselschade is pas ontstaan nadat het tenlastegelegde feit is begaan. De verdediging heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering te matigen.
Benadeelde partij [benadeelde 7]
De verdediging heeft zich met betrekking tot deze vordering op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is wat er ten aanzien van de € 37,- wordt gevorderd. Als de vordering ziet op affectieschade is deze post niet onderbouwd. Als het bedrag zou zien op rente, is door de benadeelde partij niet inzichtelijk gemaakt hoe die rente is berekend. De verdediging heeft verzocht deze vordering daarom niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [benadeelde 3] (dagvaarding I feit 2 en 3)
Immateriële schade
Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.
Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vlg. ECLI:NL:HR:2019:793).
De benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Door de benadeelde partij is toegelicht dat het delict emotioneel veel impact op haar heeft gemaakt. Zij voelt zich bedrogen en opgelicht en slaapt slecht. Haar zelfvertrouwen en veiligheidsgevoel zijn aangetast.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde gevoelens van onveiligheid en wantrouwen bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, onvoldoende door de benadeelde partij is onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en zijn mededaders dermate psychisch nadelige gevolgen bij de benadeelde partij heeft veroorzaakt dat vast is komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De vordering zal dan ook voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan, voor zover het gaat om vergoeding van de weggenomen sieraden, worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De schade is namelijk ontstaan doordat de sieraden door (medeplegen van) de verdachte zijn weggenomen. De vordering is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een taxatierapport, aankoopfacturen en foto’s van de weggenomen sieraden. Dat niet van alle sieraden een foto is bijgevoegd maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen, ter hoogte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de onder (dagvaarding I) feit 2 en 3 bewezenverklaarde feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezen verklaarde strafbare feit hoofdelijk worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 51.244,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 3].
Benadeelde partij [benadeelde 1] (dagvaarding I feit 1)
Lichamelijk letsel
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Een verdachte is aansprakelijk voor letselschade indien hij de letselgevolgen redelijkerwijs had kunnen voorzien en deze direct uit het strafbare feit voortvloeien.
De benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij immateriële schade heeft geleden vanwege lichamelijk letsel. Door de benadeelde partij is toegelicht dat als gevolg van de worsteling die ontstond met de verdachte bij haar letselschade is ontstaan. Zij werd door hem over de grond gesleept en is tegen een geparkeerde auto aangekomen. Haar pink raakte gekneusd en zij heeft een schaafwond op haar linker pols en een bloeduitstorting op haar rechterknie opgelopen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de verdachte, nadat hij in haar woning is geweest, achterna is gerend en hem heeft geprobeerd tegen te houden, toen hij vluchtte voor de politie. De rechtbank kan – mede gelet op de onderbouwing van de vordering – niet vaststellen dat het lichamelijk letsel het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit, te weten de poging tot oplichting. Daarom zal de rechtbank de vordering op dit punt niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Aantasting in de persoon op andere wijze
Door de benadeelde partij is gesteld dat zij door het handelen van de verdachte op ‘andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. Bij de gepoogde bankhelpdeskfraude in deze zaak is volgens de benadeelde partij sprake van een ernstige normschending waarmee een inbreuk is gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer en privédomein. Zij heeft toegelicht dat ze onder andere moeite had met slapen en gevoelens van angst en onveiligheid had in haar woning. Daarnaast heeft de benadeelde partij zich ernstig zorgen gemaakt over de veiligheid van haar kinderen, die tijdens de gebeurtenis aanwezig waren in de woning.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel invoelbaar is dat het bewezenverklaarde gevoelens van angst, onveiligheid en wantrouwen bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, onvoldoende door de benadeelde partij is onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en zijn mededaders dermate psychisch nadelige gevolgen bij de benadeelde partij hebben veroorzaakt dat vast is komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De vordering zal dan ook voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Benadeelde partij [benadeelde 7] (dagvaarding III feit 1 en 2)
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat € 1.360,- van het gevorderde bedrag reeds is vergoed door de ABN-AMRO bank. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde affectieschade dan wel rente van € 37,-, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat uit de vordering in het geheel niet blijkt waarop deze kosten zien en daarvoor ook geen onderbouwing is gegeven.
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verder gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst dagvaarding I, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag, zal worden verbeurdverklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het inbeslaggenomen voorwerp.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde geldbedrag verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het aan verdachte toebehoort en dit voorwerp geheel of grotendeels door middel van de bij dagvaarding I onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van 24 september 2025 gewijzigd in die zin dat wordt gevorderd dat in plaats van een last tot tenuitvoerlegging ten aanzien van de bij parketnummer 15-205692-24 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Haarlem op 13 augustus 2024 voorwaardelijke opgelegde jeugddetentie van acht maanden wegens niet naleven van de algemene voorwaarden, een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, zal worden gelast en dat voor het overige de proeftijd zal worden verlengd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de onderhavige feiten van heel andere aard zijn dan het feit waarvoor de voornoemde voorwaardelijke straf is opgelegd. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een deel van de vordering toe te wijzen en om te zetten naar een taakstraf, en de vordering voor het overige af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte is bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Haarlem gedateerd 13 augustus 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van acht maanden. De rechtbank acht termen aanwezig voor gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, nu uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen en gelasten dat twee maanden jeugddetentie ten uitvoer worden gelegd en dat voor het overige de proeftijd zal worden verlengd met één jaar.
10. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte alle bij dagvaarding I, dagvaarding II en dagvaarding III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Dagvaarding I
ten aanzien van feit 1:
poging tot medeplegen van oplichting;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
Dagvaarding II
medeplegen van oplichting;
Dagvaarding III
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van oplichting;
ten aanzien van feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 16 (ZESTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- verblijft een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten bij [instantie], [adres 1], [postcode] te [woonplaats], of een soortgelijke instelling, zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht. De veroordeelde houdt zich aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
dagbesteding
- zich zal inspannen voor het vinden en behouden van passende dagbesteding met een vaste structuur of naar school zal gaan volgens het rooster;
aflossing schulden
- medewerking verleent aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft inzicht in zijn financiën en schulden;
avondklok
- tussen 19:00 uur en 06:30 uur aanwezig moet zijn op het woon- of verblijfadres: [adres 1], [postcode] te [woonplaats], zolang de (jeugd)reclassering dit noodzakelijk acht. In het weekend moet de veroordeelde tussen 21:00 uur en 06:30 aanwezig zijn op voornoemd adres. De reclassering kan zo nodig de tijden van de avondklok aanpassen;
begeleiding
- medewerking verleent aan begeleiding door een IFA coach van [instelling] of een soortgelijke instelling. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
voorlopige hechtenis
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 6 februari 2026 onder de voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
- als hij voor de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- geen strafbare feiten zal plegen;
- gehoor zal geven aan iedere oproeping van politie en justitie;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- verblijft een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten bij [instantie], [adres 1], [postcode] te [woonplaats], of een soortgelijke instelling, zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht. De veroordeelde houdt zich aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- zich zal inspannen voor het vinden en behouden van passende dagbesteding met een vaste structuur of naar school zal gaan volgens het rooster;
- medewerking verleent aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft inzicht in zijn financiën en schulden;
- tussen 19:00 uur en 06:30 uur aanwezig moet zijn op het woon- of verblijfadres: [adres 1], [postcode] te [woonplaats], zolang de (jeugd)reclassering dit noodzakelijk acht. In het weekend moet de veroordeelde tussen 21:00 uur en 06:30 aanwezig zijn op voornoemd adres. De reclassering kan zo nodig de tijden van de avondklok aanpassen;
- medewerking verleent aan begeleiding door een IFA coach van [instelling] of een soortgelijke instelling. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3]
deels toe tot een bedrag van € 51.244,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 51.244,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 3];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 229 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
het inbeslaggenomen goed;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1.945,00 EUR Geld Euro;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank te Haarlem d.d. 13 augustus 2024, gewezen onder parketnummer 15-205692-24, te weten jeugddetentie voor de duur van twee maanden;
verlengt de proeftijd van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank te Haarlem d.d. 13 augustus 2024, gewezen onder parketnummer 15-205692-24, te weten jeugddetentie voor de duur van zes maanden, met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.R.F. van Engelen, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2026.
Bijlage I: tekst tenlastelegging
Dagvaarding I (09/219895-25)
1
hij, op of omstreeks 25 juli 2025 te Leiden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van haar bankpassen, contant geld en/of sierraden,
- heeft gebeld met [benadeelde 1] en zich voorgedaan als medewerker van de ING alarmcentrale,
- [benadeelde 1] heeft medegedeeld dat er door een geldbedrag van haar rekening was weggenomen,
- [benadeelde 1] heeft medegedeeld dat haar modem en/of telefoon bij haar thuis uitgelezen moesten worden door een collega en haar telefoon opgehaald moest worden,
- [benadeelde 1] heeft bevraagd naar de toegangscodes van haar betaalpassen en welke waardevolle spullen zij in de woning had liggen,
- Naar de woning van [benadeelde 1] aan de [straatnaam] is gereden,
- Hier heeft aangebeld en heeft medegedeeld dat hij een zending kwam ophalen, en/of
- Naast de modem in de woning gehurkt is gaan zitten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij, in of omstreeks de periode van 16 juni 2025 tot en met 25 juli 2025 te Heeswijk-Dinther, Den Dungen, Naarden en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [benadeelde 2] (zaak 2),
- [benadeelde 3] (zaak 3),
- [benadeelde 4] (zaak 4), en/of
- [benadeelde 5] (zaak 5), heeft bewogen tot
- de afgifte van enig goed, te weten (een) bankpas(sen), creditkaart(en), een randomreader en/of sieraden (met een waarde van ongeveer €40.000,-), en/of
- het ter beschikking stellen van gegevens, te weten pincodes en/of inlogcodes,
door
- bovengenoemde perso(o)n(en) te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank, en/of
- bovengenoemde perso(o)n(en) te bellen en zich voor te doen als politieagent, en/of
- hen mede te delen dat er fraude en/of verdachte en/of opvallende transacties hebben plaatsgevonden op hun bankrekening(en), en/of
- hen te vragen naar de in huis aanwezige sieraden, en/of
- hen te vragen naar de pincodes en/of inlogcodes van de bankpassen en/of creditkaarten, en/of
- langs de woning van bovengenoemde perso(o)n(en) te komen, en/of
- de bankpas(sen) en creditkaart(en) en/of sieraden mee te nemen;
3
hij, in of omstreeks de periode van 16 juni 2025 tot en met 25 juli 2025 te Berlicum, Den Dungen, Bussum en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een geldbedrag van €3.402,90, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] toebehoorde (zaak 2), en/of
- een geldbedrag van €6.600,-, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 3] toebehoorde (zaak 3), en/of
- een geldbedrag van €4.000,-, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 4] toebehoorde (zaak 4), en/of
- een geldbedrag van €7816,70, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 5] toebehoorde (zaak 5),
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen goederen onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door met de bankpassen en/of credit card van bovengenoemde personen contant geld op te nemen;
Dagvaarding II (08/336079-25)
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te Wijhe, althans in de gemeente Olst-Wijhe, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- een of meerdere bankpassen (van de ABN AMRO Bank), en/of
- een e.dentifier/een kaartlezer (van de ABN AMRO Bank),
door
- voornoemde [benadeelde 6] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als bankmedewerker(s),
- voornoemde [benadeelde 6] te melden dat zij wordt doorverbonden met iemand die verstand heeft van foute boekingen die op de bankrekening van voornoemde [benadeelde 6] te zien zijn/waren,
- voornoemde [benadeelde 6] te melden dat er een geldbedrag (van € 650,-) was overgemaakt naar Zuid-Afrika door een persoon in Breda,
- voornoemde [benadeelde 6] te melden dat er een rare transactie was gedaan, dat het geld teruggestort zou worden, dat de e-reader/identifier van voornoemde [benadeelde 6] vernieuwd zou worden en/of dat er iemand langs zou komen,
- voornoemde [benadeelde 6] te instrueren haar pasjes in een envelop te stoppen, op genoemde envelop een code te schrijven en/of haar pincode af te geven,
- zich (al dan niet in de hoedanigheid van bankmedewerker) te melden bij de woning van voornoemde [benadeelde 6],
- ( aldaar) de voornoemde bankpassen en/of e.dentifier/kaartlezer in een envelop in ontvangst te nemen, en/of
- ( aldus) voornoemde [benadeelde 6] te bewegen tot de afgifte van genoemde goederen.
Dagvaarding III (09/006537-26)
1
hij, op of omstreeks 16 juli 2025 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [benadeelde 7] (zaak 6) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas,
door
- [benadeelde 7] te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank, en/of
- hem mede te delen dat er een dubieuze transactie heeft plaatsgevonden op zijn bankrekening(en) en/of zijn spaarrekening slechts verzekerd was tot €5.000,-, en/of
- hem (via een email) te vragen naar zijn pincode,
- langs zijn woning van te komen en een (verificatie) code op te geven, en/of
- de bankpas mee te nemen;
2
hij, op of omstreeks 16 juli 2025 te Amsterdam,
- een geldbedrag van €13.600,00, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 7] toebehoorde (zaak 6),
in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpas en pincode van [benadeelde 7] een horloge te kopen;