Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-294674-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B.R. Hoebeke en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw
mr. Y.W.G. Verschuren naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 november 2025 te 's-Gravenhage, autopapieren en/of een telefoonhouder en/of een hoofdlamp en/of een fles parfum/eau de toilette, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de braak, omdat dit geen steun vindt in het dossier. In het bijzonder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de getuige geen signalement kan geven van de persoon die hij bij de auto zag en dat het gaat om een groot flatcomplex met meerdere toegangswegen en open ruimte. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat een ander de ruit heeft ingeslagen en is vertrokken, aldus de raadsvrouw. Voor wat betreft de diefstal heeft de raadsvrouw zich – althans zo begrijpt de rechtbank – gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling van de tenlastelegging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte schuldig is aan de
tenlastegelegde diefstal met braak op 4 november 2025 in Den Haag.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Wanneer wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1532DH_2025372783, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 32).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026, voor zover inhoudende:
Op 4 november 2025 heb ik in Den Haag de spullen uit de auto gepakt. De spullen die ik heb meegenomen waren: parfum, losse spulletjes, tasje met papieren van auto. U vraagt of daar ook een telefoonhouder bij zat. Ja dat klopt. U zegt dat ik ben aangetroffen door de politie met een hoofdlamp. Dat lampje heb ik ook uit de auto gepakt.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , opgemaakt op 4 november 2025, voor zover inhoudende (p. 16):Op 4 november 2025 om 08.30 uur werd ik nogmaals anoniem gebeld, en sprak ik de politie. Ik ben na dit telefoongesprek direct naar mijn voertuig gelopen. Ik zag dat de gehele linker raam uit mijn voertuig was en in stukken op de grond en in mijn auto lagen. Ik zag dat er een grote stoeptegel op de bestuurdersstoel lag. Ik heb in mijn voertuig gekeken wat ik mis. Ik zag dat mijn telefoonhouder weg was. Ook zag ik dat mijn autopapieren weg waren.
3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , opgemaakt op 4 november 2025, voor zover inhoudende (p. 23):Op dinsdag 4 november 2025 omstreeks 04:50 bevond ik mij aan de Lozerlaan ter hoogte van het voertuig. Ik zag dat van dit voertuig, aan de bestuurderszijde de ramen vernield waren. Ik hoorde dat de melder zei dat hij alleen het glasgerinkel heeft gehoord, hierdoor is hij op het balkon gaan kijken. Hij zag hier een persoon bij het voertuig lopen. De melder heeft direct de politie gebeld.
4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , opgemaakt op
4 november 2025, voor zover inhoudende (p. 5):Ik hoorde de centralist ons sturen naar de [adres] voor een heterdaad vernieling voertuig. Wij reden op ongeveer 1 minuut rijden van locatie incident. Ik zag op het fietspad achter de flat een persoon lopen. Mijn collega en ik hielden de man staande. De man bleek later te zijn: [verdachte] . Ik vroeg de man om zijn schoenzolen te laten zien. Ik zag dat de man hier gehoor aan gaf en ik zag op zijn rechterschoenzool glas zitten.
5. Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , PL1500-2025372783-14, opgemaakt op 12 november 2025, voor zover inhoudende:
Ik kan met 100 procent zekerheid zeggen dat [verdachte] de enige persoon was in de omgeving. Ik hoorde de melder telefonisch verklaren dat hij een klap hoorde, naar buiten keek en een persoon zag lopen. Ik reed samen met mijn collega op ongeveer één minuut afstand. Tijdens het rijden richting het incident zag ik geen andere personen in de omgeving van het strafbare feit.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de door hem gestolen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. Tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte staat de verklaring van de melder, die kort nadat hij glasgerinkel hoorde een persoon bij de auto zag lopen en de politie heeft gebeld. De politie was circa één minuut na de melding ter plaatse en heeft de verdachte in de omgeving van de plaats delict aangehouden. De politie heeft op dat moment geen andere personen in de directe omgeving gezien. Ook de verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij geen ander persoon op het terrein heeft gezien. Door het korte tijdsverloop tussen het glasgerinkel op de parkeerplaats en het aantreffen van de verdachte in de omgeving van de auto, mét de buit uit de auto van aangever bij zich, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het de verdachte is geweest die de autoruit heeft ingeslagen. De rechtbank neemt voorts in overweging dat er geen andere mensen in de omgeving zijn gezien en dat bij de verdachte handschoenen en een schroevendraaier zijn aangetroffen. Op grond van deze feiten en omstandigheden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de persoon is die de autoruit heeft ingegooid. De door de verdachte afgelegde verklaring dat de autoruit al kapot was, acht de rechtbank gelet op de voormelde omstandigheden en gelet op het feit dat de aangever – naast de door de verdachte ontvreemde goederen – geen andere goederen uit de auto mist, niet aannemelijk.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 4 november 2025 te 's-Gravenhage, autopapieren en een telefoonhouder en een hoofdlamp en een fles parfum, die aan [naam 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte verzet tegen oplegging van de ISD-maatregel. Zij heeft primair verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak uit een auto. Dat is een hinderlijk feit waarvan burgers en de maatschappij financiële schade en overlast ondervinden. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en heeft hij geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van anderen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 30 september 2025,
11 november 2025 en 16 december 2025 die over de verdachte zijn opgesteld. Op de terechtzitting is de heer [naam 2] , reclasseringsmedewerker, als deskundige gehoord om deze adviezen toe te lichten.
Volgens de reclassering verblijft de verdachte als EU-onderdaan rechtmatig in Nederland, maar dient hij zelfvoorzienend te zijn en komt hij niet in aanmerking voor sociale voorzieningen. De verdachte heeft geen werk, geen verblijfplaats en geen sociaal netwerk. Er is derhalve sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. De verdachte staat bij de reclassering bekend als stelselmatige dader en lijkt niet te reageren op bestraffing. In februari 2025 is de verdachte reeds gewaarschuwd dat hij – als hij zo zou doorgaan – zou gaan voldoen aan de harde criteria van de ISD-maatregel. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden nadien nog tenminste drie keer een strafbaar feit te plegen. Toezicht is volgens de reclassering niet haalbaar, doordat de verdachte geen identiteitsbewijs heeft, geen rechten op sociale voorzieningen heeft opgebouwd in Nederland, geen Nederlands of Engels spreekt en de reclassering geen betrouwbare contactgegevens heeft van de verdachte (geen postadres of telefoon). De reclassering adviseert de rechtbank om aan de verdachte, bij veroordeling, een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Voldaan aan ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met braak.
Dit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 25 december 2025 blijkt dat hij in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en de reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De rechtbank deelt die inschatting en stelt vast dat de verdachte op verschillende leefgebieden problemen heeft. De verdachte is dakloos en heeft geen werk en inkomen. Eerdere gevangenisstraffen hebben de verdachte niet bewogen om een bestaan op te bouwen zonder het plegen van delicten. Op basis van het strafblad van de verdachte en het advies van de reclassering moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is.
De rechtbank overweegt verder dat de verdachte valt onder de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. Toezicht om het recidiverisico te verminderen, behoort volgens de reclassering niet tot de mogelijkheden.
In deze omstandigheden acht de rechtbank een ISD-maatregel aangewezen.
Voorwaardelijke ISD-maatregel
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank aanleiding deze maatregel in voorwaardelijk vorm op te leggen, hetgeen betekent dat de maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd als de verdachte zich houdt aan de voorwaarde die in de beslissing (het dictum) is opgenomen. De rechtbank overweegt dat de verdachte op de terechtzitting heeft verklaard dat hij wil terugkeren naar Bulgarije en daar tenminste enige jaren wil blijven. De verdachte heeft naar eigen zeggen een woning in Bulgarije en aldaar een netwerk in de vorm van zijn moeder en zijn zus. De raadsvrouw heeft een e-mailbericht van 20 januari 2026 van Stichting Barka overgelegd, waaruit blijkt dat de verdachte de wens heeft om terug te keren naar Bulgarije. Uit dit bericht blijkt voorts dat de stichting de verdachte na zijn vrijlating kan ophalen en in contact kan brengen met de ambassade ten behoeve van het verkrijgen van een reisdocument. Op de zitting heeft een vertegenwoordiger van Stichting Barka de heer [naam 3] , verklaard dat dit proces snel in gang kan worden gezet. De stichting kan voorts tijdelijk onderdak bieden en de terugreis naar Bulgarije organiseren en betalen. De stichting kan ter zijner tijd ook bevestigen dat de verdachte is aangekomen in Bulgarije.
Aan de hand van deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een concreet en uitvoerbaar voornemen van de verdachte om terug te keren naar Bulgarije. In dit licht vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waartoe in beginsel slechts wordt besloten als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput, te zwaar. Oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel acht de rechtbank wel passend. Hierdoor wordt verdachte in de gelegenheid gesteld zelfstandig terug te keren naar Bulgarije en wordt hem een laatste kans geboden om aan de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te ontkomen. Tegelijk wordt tegemoet gekomen aan het doel de verdachte ervan te weerhouden zich in Nederland opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ter optimale bescherming van de maatschappij zal de rechtbank de voorwaardelijke
ISD-maatregel opleggen voor maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten niet aftrekken van de op te leggen maatregel. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel wordt verbonden, te weten dat de verdachte geen strafbare feiten mag plegen, zal gelden gedurende een proeftijd van twee jaren. Als de verdachte deze algemene voorwaarde niet naleeft, dan ligt de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de rede om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen.
Voorlopige hechtenis
Het bevel tot voorlopige hechtenis zal met ingang van heden worden opgeheven. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte per ommegaande naar Bulgarije terugkeert.
7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De heer [naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 600,-, geheel bestaand uit materiële schade, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, vanwege het ontbreken van bewijsstukken ter onderbouwing van de hoogte van de gevorderde schade, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Primair vanwege de bepleite vrijspraak ten aanzien van de braak, subsidiair omdat de hoogte van het gevorderde bedrag niet is onderbouwd met stukken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering benadeelde partij toewijzen, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank overweegt dat uit de bewezenverklaarde diefstal met braak uit een auto volgt dat de verdachte aan de eigenaar van de auto, de heer [naam 1] , rechtstreeks schade heeft toegebracht. Uit de foto’s in het procesdossier volgt dat zowel het voorraam als het raam van het achterportier van de auto kapot is. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek is de verdachte gehouden om de schade van [naam 1] te vergoeden.
De rechtbank dient de schade op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en mag de hoogte zo nodig schatten. De heer [naam 1] heeft op de terechtzitting verklaard dat hij een offerte van Carglass heeft afgegeven bij het politiebureau. Dit document bevindt zich niet
in het procesdossier. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2025 (p. 26) volgt dat de heer [naam 1] de politie op 4 november 2025 telefonisch heeft laten weten dat uit navraag bij de garage is gebleken dat de schade tussen de € 600,- en € 700,- zou bedragen. In het licht van deze door de heer [naam 1] gestelde feiten en omstandigheden heeft de verdachte, met het enkel wijzen op het ontbreken van onderbouwing, de hoogte van de schade onvoldoende betwist. De rechtbank stelt de schade daarom vast op € 600,- en zal de vordering van de heer [naam 1] toewijzen tot dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Nu sprake is van zaakschade en de schade abstract is begroot, wordt de schade geacht te zijn geleden op de dag van de diefstal met braak, te weten 4 november 2025. De rechtbank zal de wettelijk rente daarom toewijzen vanaf die datum.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 38m, 38n, 38p, 311 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat die maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot het bedrag van
€ 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 1] ;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten van [naam 1] , tot aan de uitspraak begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 600,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025, tot de dag waarop deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [naam 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft, met ingang van heden, op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Verboom, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.