RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40146
geboren op [datum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit aan een zogeheten derdelander uit Oekraïne, die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser een terugkeerbesluit mocht opleggen. De hem toegekende facultatieve tijdelijke bescherming is op 4 maart 2024 geëindigd. Dat eiser na 4 maart 2024 tijdelijk nog gebruik mocht maken van de rechten die hij eerder onder de Richtlijn had, maakt dit niet anders.
Procesverloop
2. Bij het besluit van 6 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dat besluit (het bestreden besluit) en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek, op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat hij geen inkomen of vermogen heeft. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen met betrekking tot het verzoek is aangevoerd, aanleiding om het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe te kennen.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser had een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne toen de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. In dit verband heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld bij besluit van 30 mei 2023. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 23 augustus 2023 heeft de minister eiser bericht dat zijn facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 september 2023. Ook is aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister dit besluit ingetrokken en is bericht dat eiser facultatieve tijdelijke bescherming krijgt tot 4 maart 2024, maar dat een nieuw terugkeerbesluit zal volgen. Bij besluit van 7 februari 2024 is een nieuw terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. De minister heeft vervolgens besloten om de gevolgen van deze besluitvorming te bevriezen, naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling. De minister heeft eiser bij brief van 1 mei 2024 bericht over deze bevriezingsmaatregel, waarbij is aangegeven dat eiser tijdelijk langer mag blijven en gebruik mag blijven maken van de rechten die hij onder de Richtlijn had. Nadien is het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vernietigd, omdat dit prematuur was opgelegd.
Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft herhaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser per 4 maart 2024 is beëindigd en heeft aangegeven dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiser mag vanaf 4 september 2025 niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit Nederland.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser heeft betoogd dat het terugkeerbesluit opnieuw prematuur is opgelegd, omdat hij rechtmatig verblijf had door de bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025. Ter onderbouwing is gewezen op de Terugkeerrichtlijn, het Terugkeerhandboek en het arrest Kaduna en Abkez. Eiser meent verder dat zijn asielaanvraag uit 2023 nog loopt, zodat hij ook om die reden rechtmatig verblijf heeft. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de minister hem had moeten horen op grond van het zorgvuldigheid-, rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel. Volgens eiser heeft de minister zonder gehoor geen individuele beoordeling kunnen maken. Tot slot heeft eiser gesteld dat de minister ambtshalve moest onderzoeken of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Daarbij had volgens eiser een belangenafweging gemaakt moeten worden, en moet die afweging in het voordeel van eiser uitvallen omdat hij een economisch voordeel voor Nederland is.
Heeft de minister een terugkeerbesluit aan eiser mogen opleggen?
6. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderhavige terugkeerbesluit niet prematuur opgelegd. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser rechtsgeldig per 4 maart 2024 is geëindigd. De rechtbank is verder niet gebleken dat sprake is van een lopende asielprocedure van eiser. Dat eiser meent dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft in 2023 geen zienswijze ingediend of beroep ingesteld in zijn asielprocedure.
Anders dan eiser bepleit ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn, het Terugkeerhandboek en het Kaduna en Abkez arrest, geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen. Op de datum van het bestreden besluit was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om de prejudiciële procedure af te wachten. Daarmee was geen sprake van rechtmatig verblijf. Aan eiser is bij verschillende brieven bericht dat zijn facultatieve tijdelijke bescherming is beëindigd, dat hij tijdelijk langer in Nederland mag blijven en dat een nieuw terugkeerbesluit volgt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake was een tijdelijke opschorting van vertrek of verwijdering, en niet van toestemming tot legaal verblijf. De rechtbank ziet hierin dan ook geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. In dit verband verwijst de rechtbank ter vergelijking naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet maakt dat de betrokkene niet illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister bevoegd was om op 6 augustus 2025 een terugkeerbesluit aan eiser uit te vaardigen, omdat sprake was van illegaal verblijf.
6. De in de gronden van beroep vermelde overige stellingen treffen geen doel. De minister heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie en de Afdeling, op het standpunt mogen stellen dat eiser door middel van de zienswijze in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt over het terugkeerbesluit kenbaar te maken. Daarom mocht van het horen worden afgezien. Tot slot heeft eiser niet onderbouwd op grond van welke toepasselijke rechtsregel de minister ambtshalve moest onderzoeken of hij in de aanmerking komt voor aan andere verblijfsvergunning. Evenmin heeft eiser onderbouwd op grond waarvan de minister een afweging van belangen en van het gestelde economische voordeel had moeten maken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser op zitting heeft laten vallen dat ten onrechte niet is getoetst aan artikel 3 van het EVRM. In het bestreden besluit heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het dossier blijkt de rechtbank namelijk niet dat eiser heeft gesteld te vrezen in Marokko.
8. De rechtbank ziet in het door eiser gevoerde betoog geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.