RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [mummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54246
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
(gemachtigde: mr. D. Gigengack)
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.54247), op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn waarnemend gemachtigde, mr. E.V. Appeldoorn, zijn verschenen. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 21 juli 2025 ingediend.
Op 10 september 2025 heeft Nederland aan Polen verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, eerste of derde lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Polen heeft dit verzoek op 12 september 2025 aanvaard op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening.
Verweerder heeft in de claim aan Polen vermeld dat eiser op 28 september 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Nederland. Dit verzoek is buiten behandeling gesteld omdat eiser onvindbaar was. Uit informatie van Sirene bleek dat Polen aan eiser een tijdelijke verblijfsvergunning heeft verleend met als geldigheidsduur 5 augustus 2024 tot en met 20 mei 2027. Eiser verklaart slechts enkele dagen in Polen te hebben verbleven en heeft na zijn verblijf in Polen (op 21 juli 2025) een nieuw verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Eiser heeft in Polen geen verzoek om internationale bescherming ingediend, maar is wel in het bezit van een tijdelijke verblijfsvergunning in Polen. Daarom is volgens het claimverzoek Polen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening, verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Met het claimakkoord van 12 september 2025 heeft Polen deze verantwoordelijkheid geaccepteerd.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat Nederland zijn asielaanvraag aan zich dient te trekken. Na zijn toelating in Polen is eiser naar Nederland gekomen omdat hij bij zijn echtgenote wil zijn en hij zich in Polen gediscrimineerd en achtergesteld voelde. Eiser was in Polen niet in staat om werk te vinden en gezinshereniging was niet mogelijk. Eiser heeft zich samen met zijn vrouw gevestigd in Den Haag. Dit hebben zij met toestemming van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) gedaan. Omdat verweerder ervan uit is gegaan dat eiser en zijn vrouw uit beeld waren geraakt is de asielaanvraag van de vrouw van eiser ‘on hold’ gezet. De afhandeling van haar asielaanvraag heeft daarom te lang geduurd. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn zaak en die van zijn echtgenote gelijktijdig afgedaan moeten worden omdat dit de bedoeling van eiser en zijn vrouw was. Ook zou het tijdsverloop in de procedure van zijn vrouw in zijn eigen zaak doorwerking moeten hebben.
Beoordeling van het beroep
5. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat er geen beroep wordt gedaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel of op artikel 11 van de Dublinverordening, de gronden van beroep zien alleen op artikel 17 van de Dublinverordening.
Artikel 17 van de Dublinverordening
6. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat in eisers situatie geen sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid getuigt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de huidige wens van eiser om in Nederland te verblijven geen rol speelt bij het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat. Ook de korte duur dat eiser in Polen zou zijn geweest speelt hierin geen rol. Vaststaat dat eiser een tijdelijke vergunning heeft aangevraagd en heeft gekregen in Polen. Dat deze vergunning is ingetrokken omdat hij niet in Polen aan het werk is gegaan, is door eiser niet onderbouwd. Verweerder merkt terecht op dat de acceptatie van de claim door Polen op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening bevestigt dat er sprake is van een geldige verblijfstitel voor Polen. Eiser beroept zich op de zitting op het leven dat hij in Nederland heeft opgebouwd (hij verklaart hier werk en een koophuis te hebben), maar hij heeft er zelf voor gekozen in Polen een verblijfsvergunning aan te vragen en niet gesteld of gebleken is dat hij stappen heeft gezet om zijn Poolse verblijfsvergunning in te laten trekken. Hij heeft bovendien geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. De in Nederland verkregen EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van eiser is met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van 15 oktober 2018. Eisers verblijfsvergunning regulier voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] is met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 19 januari 2017. Dit betekent dat het leven dat eiser in Nederland heeft opgebouwd met terugwerkende kracht deels onrechtmatig is geworden.
Hoewel de wens van eiser om bij zijn inmiddels vanuit Turkije naar Nederland overgekomen partner (en kinderen) in Nederland te blijven, begrijpelijk is, heeft verweerder de relatie tussen eiser en zijn partner niet aan hoeven merken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser aan Polen van onevenredige hardheid getuigt. Ook de partner van eiser heeft namelijk geen verblijfsrecht in Nederland. De relatie tussen eiser en zijn partner en de lopende asielaanvraag van de partner van eiser in Nederland, vormen bovendien op zichzelf geen aanleiding om de asielaanvraag van eiser op te nemen in de nationale procedure.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen grond hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.