RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55487
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. D. Gigengack)
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.55488), op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 3 oktober 2025 ingediend.
Op 23 oktober 2025 heeft Nederland aan Zwitserland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Zwitserland heeft dit verzoek op 28 oktober 2025 aanvaard.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat een standaardvoornemen is gebruikt, dit is volgens eiser onvoldoende. Ten onrechte is ook niet doorgevraagd toen eiser in zijn aanmeldgehoor noemde dat hij niet naar Algerije terug wil en kan, hier is in het voornemen ook niet op gereageerd door verweerder. Verweerder dient de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening, zelf in behandeling te nemen. Overdracht is in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder heeft volgens eiser geen onderzoek verricht naar de Zwitserse praktijk voor het indienen van een opvolgende asielaanvraag of het krijgen van effectieve rechtsbijstand in Zwitserland en heeft geen zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Hierdoor kan niet geconcludeerd worden dat voorgaande artikelen niet worden geschonden. Daarnaast heeft Zwitserland het terugnameverzoek aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening. Dit betekent volgens eiser dat hij geen toegang krijgt tot een effectieve en inhoudelijke asielprocedure waardoor overdracht onveilig is en is in strijd met artikel 18 en 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM. Dit brengt een risico op indirect refoulement met zich mee. Ook reageert verweerder niet op het feit dat de procedure in Zwitserland is afgewezen en afgesloten en op het feit dat er nu nieuwe omstandigheden kunnen spelen. De reactie van verweerder en het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Verder zijn er volgens eiser ook structurele tekortkomingen gemeld in de behandeling van Dublin-terugkeerders in Zwitserland. Ter onderbouwing verwijst eiser naar rapporten van Amnesty International, OSAR ((Schweizerische Flüchtlingshilfe) en Human Rights Watch. Uit het rapport van AIDA over Zwitserland volgt dat de wet geen standaardprocedures heeft om kwetsbaarheid te screenen, dat er ernstige knelpunten zijn in de opvang- en detentiepraktijk en in de medische zorg en dat toegang tot rechtsbijstand en daarbij tot een procedure of rechtsmiddel problematisch is. De Nationale Commissie ter Preventie van Foltering (NCPT) heeft ook kritiek geuit op opvang- detentie- en retourpraktijken. Eiser vreest in Zwitserland weer op straat of in detentie te belanden zonder adequate opvang of zorg. Buiten het interstatelijk vertrouwensbeginsel om moet verweerder een eigen, actuele en individuele risicoanalyse voor de persoonlijke situatie van eiser maken. Ten slotte behoort eiser tot een groep die statistisch gezien veel wordt geconfronteerd met uitsluiting of een ongelijke behandeling, uit onderzoek volgt dat racisme en discriminatie op grond van huidskleur, naam, taal of religie in Zwitserland wijdverbreid zijn.
Beoordeling van het beroep
Standaardvoornemen
5. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat een standaardvoornemen onvoldoende is. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642), waarin verweerder op een vergelijkbare manier heeft gehandeld. De Afdeling oordeelde dat het feit dat het besluit voor het eerst meer specifiek ingaat op de individuele omstandigheden van een vreemdeling op zichzelf geen grond voor het oordeel dat dit onzorgvuldig is. Dat in het voornemen slechts algemene overwegingen zijn opgenomen en de verklaringen van eiser hierin niet expliciet zijn meegenomen, maakt dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het voornemen is namelijk geen op rechtsgevolg gericht besluit, maar een voorbereidingshandeling. In het voornemen moeten wel alle dragende overwegingen zijn opgenomen, daaronder begrepen een standpunt over de vraag of de aangevoerde individuele omstandigheden aan overdracht in de weg staan. In het voornemen van verweerder is voldoende duidelijk uiteengezet op welke gronden Zwitserland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gekregen om te reageren op het voornemen en heeft hier ook gebruik van gemaakt. Daarbij komt dat niet gebleken is dat eiser door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Voor zover eiser vindt dat verweerder door had moeten vragen over de redenen dat eiser niet terug wil naar Algerije, is van belang dat het in deze procedure alleen gaat om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Het asielrelaas van eiser speelt daarin geen rol.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraak van 24 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:265) en de uitspraak van 10 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4864), bevestigd dat verweerder ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser moet aan de hand van concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218, Jawo) volgt dat daarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest. De door eiser overgelegde landeninformatie is hiervoor onvoldoende. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling met de hiervoor genoemde uitspraak van 24 januari 2025 een uitspraak van de rechtbank bevestigt waarin het AIDA-rapport, update 2023, is meegenomen. Door de Afdeling zijn geen latere uitspraken gedaan waarin anders is geoordeeld. Eiser concretiseert bovendien niet op welk AIDA-rapport een beroep wordt gedaan. Daarnaast volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de AIDA-rapporten van de laatste jaren onvoldoende grond om aan te nemen dat er in Zwitserland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en dat eiser buiten zijn wil en keuzes terecht kan komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie (zoals bedoeld in het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Uit de AIDA-rapporten blijkt wel dat er problemen zijn vastgesteld. Dat er verbeterpunten zijn in de opvang is echter onvoldoende voor de conclusie dat er structurele problemen zijn met betrekking tot de opvang. Daarnaast volgt uit pagina 61 van het AIDA-rapport, update 2025, inderdaad dat er in de wet geen standaardprocedure is neergelegd voor het screenen van kwetsbaren in Zwitserland en dat die screening voor verbetering vatbaar is. Uit het AIDA-rapport volgt echter niet dat kwetsbaren helemaal niet geïdentificeerd worden. De richtlijnen voor het screenen van kwetsbaren zijn juist al lange tijd in ontwikkeling, hoewel deze nog niet gepubliceerd zijn. Dat asielzoekers in Zwitserland niet automatisch recht hebben op gefinancierde rechtsbijstand maakt ook niet dat sprake is van structurele tekortkomingen. Daarnaast mogen de medische voorzieningen van de lidstaten in beginsel, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vergelijkbaar worden verondersteld. Ook uit de andere stukken die zijn overgelegd blijkt onvoldoende concreet van een situatie zoals volgt uit het arrest Jawo. Met de enkele verwijzing naar rapporten van Amnesty International, OSAR ((Schweizerische Flüchtlingshilfe), Human Rights Watch en naar onderzoeken over racisme en discriminatie in Zwitserland, zonder te concretiseren over welke rapporten en welke pagina’s daarvan het gaat, heeft eiser onvoldoende duidelijk gemaakt waar de gestelde problemen zijn vastgesteld.
Ook eisers verklaringen over wat hij in Zwitserland heeft meegemaakt en waar hij voor vreest bevatten geen concrete aanwijzingen dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling als hiervoor bedoeld. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in zijn zienswijze en beroepsgronden aanvoert dat hij vreest dat hij in Zwitserland ‘opnieuw op straat komt te staan of in detentie belandt zonder adequate begeleiding of medische zorg’, maar dat eiser hierover in zijn verklaringen niets heeft vermeld. Zwitserland heeft het terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening. Dit houdt in dat eisers aanvraag is afgewezen door de Zwitserse autoriteiten. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de Zwitserse praktijk in het geval van een opvolgende asielaanvraag of voor het krijgen van effectieve rechtsbijstand. Dat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag wordt namelijk niet betwist. Ook heeft Zwitserland door middel van het claimakkoord gegarandeerd het opvolgende asielverzoek van eiser in behandeling te nemen en eisers situatie (waaronder een eventuele uitzetting) te zullen beoordelen met inachtneming van dezelfde beginselen en fundamentele waarden op het gebied van het asielrecht als in Nederland gelden, waaronder artikel 18 en 47 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser betoogt dat Zwitserland in strijd handelt met deze beginselen en bepalingen moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Zwitserland (vgl. het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Het is niet gebleken dat eiser in Zwitserland heeft geklaagd bij de autoriteiten. Mocht eiser problemen ervaren in Zwitserland vanwege discriminatie of racisme, in de opvang, in detentie, of anderszins, dan is niet gebleken dat de Zwitserse autoriteiten niet willen of kunnen helpen of dat klagen bij voorbaat zinloos zal zijn. Uit wat eiser naar voren heeft gebracht volgt ook niet dat hij geen toegang zal krijgen tot een effectieve en inhoudelijke asielprocedure. Eiser heeft ook niet aangetoond dat hij kwetsbaar is of dat hij is in Zwitserland op straat zal belanden. Op zitting heeft verweerder toegelicht dat uit een vertrekgesprek van eiser volgt dat eiser niet onder medische behandeling staat en geen medicatie gebruikt. Mochten er nieuwe feiten of omstandigheden spelen dan had eiser de mogelijkheid om deze omstandigheden in deze procedure naar voren te brengen. Dit heeft eiser niet gedaan.
Indirect refoulement
7. Voor zover de rechtbank gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359), in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:934), al binnen de kaders van een Dublinprocedure kan beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, is de rechtbank van oordeel dat er in het geval van eiser geen concrete aanwijzing bestaat dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De enkele omstandigheid dat een eerdere asielaanvraag van eiser in Zwitserland is afgewezen, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op indirect refoulement. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die afwijzing van zijn asielaanvraag in Zwitserland het gevolg is van een evident en fundamenteel ander beschermingsbeleid dan in Nederland of van een evidente fout. Het ligt op zijn weg om dit aannemelijk te maken, desnoods door zijn Zwitserse asieldossier te overleggen. Eiser heeft zijn stelling op dit punt niet onderbouwd.
Onevenredige hardheid
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde omstandigheden (kor samengevat: kwetsbaarheid, medische toestand, eerdere afwijzing, detentierisico) niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Zwitserland van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft die omstandigheden in het bestreden besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. Het is de rechtbank ook niet voldoende duidelijk welke individuele omstandigheden verweerder volgens eiser onvoldoende heeft meegewogen. Door niet op zitting te verschijnen heeft eiser dit ook niet nader toe kunnen lichten. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Eisers persoonlijke ervaringen in Zwitserland zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.