Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09/197236-24
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 22 januari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. A. Baas en de raadsman van de verdachte is mr. M.G. Cantarella. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 juni 2024 te Rijswijk € 124,05, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Primera, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangeefster] een mes te tonen en te zeggen "geld, geld, geld", en/of
- ( vervolgens) die [aangeefster] te duwen richting de kassa's, en/of
- geld uit de kassa te pakken.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024190565, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 173).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] , opgemaakt op 16 juni 2024 (p. 10-13);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, inclusief bijlagen, opgemaakt op 16 juni 2024 (p. 45-59).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het derde gedachtestreepje “geld uit de kassa te pakken”. Deze feitelijke gedraging is geen geweldshandeling maar ziet uitsluitend op de diefstal.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 16 juni 2024 te Rijswijk € 124,05 toebehorend aan Primera heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- die [aangeefster] een mes te tonen en te zeggen "geld, geld, geld", en
- die [aangeefster] te duwen richting de kassa's.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straffen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit volledig aan de verdachte kan worden toegerekend en heeft gevorderd dat de verdachte – met toepassing van het jeugdstrafrecht – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 52 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie gevorderd. Verder heeft de officier van justitie twee maatregelen op grond van art. 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod op haar adres in [plaats] . Deze maatregelen zijn gevorderd voor de duur van 2 jaren, waarbij vervangende hechtenis van 2 weken zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en heeft betoogd – overeenkomstig het advies van de psycholoog – dat het feit in verminderde mate aan de verdachte moet worden toegerekend. Verder is verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging heeft verzocht om een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen met eventueel een voorwaardelijk strafdeel en/of een taakstraf. Tot slot heeft de verdediging betoogd dat het niet redelijk is om de maatregelen op grond van art. 38v Sr op te leggen, nu geen sprake is geweest van confrontaties tussen de verdachte en aangeefster.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit De verdachte heeft zich op 16 juni 2024 op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan een gewapende overval op de Primera. De verdachte is met gezichtsbedekking de winkel binnengegaan, waarbij hij aangeefster, die op dat moment in de winkel aan het werk was, onder bedreiging van een mes in de richting van de kassa heeft geduwd. Vervolgens heeft hij het geld uit de kassalade gegrist. De verdachte is daarna op de fiets weggevlucht. De verdachte heeft met deze gedragingen aangeefster en de omstanders enorme angst aangejaagd. Overvallen zijn ernstige strafbare feiten, die sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweegbrengen. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen geldelijk gewin en daarmee op geen enkele manier rekening gehouden met de gevoelens van en de gevolgen voor aangeefster, die geen idee had waartoe de verdachte in staat was. Slachtoffers van dergelijke overvallen ondervinden vaak nog lange tijd nadelige psychische gevolgen als gevolg van de angstaanjagende ervaring. Dat dit ook voor aangeefster geldt, blijkt onder andere uit haar slachtofferverklaring.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor een geweldsfeit. De rechtbank houdt hiermee rekening in de strafmaat.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro Justitia rapport van 18 november 2024. Hieruit volgt dat de verdachte bekend is met neurofibromatose. Er is geen relatie geconstateerd tussen deze aandoening en de gevolgen daarvan en het tenlastegelegde. Desalniettemin wordt de rechtbank in overweging gegeven het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen omdat de verdachte op jonger sociaal-emotioneel niveau functioneert dan zijn leeftijd meebrengt en hij vanuit het vastgestelde disharmonische profiel problemen heeft met het inschatten en overzien van bepaalde situaties. Zo zou hij het tenlastegelegde hebben gepleegd in een moment van onbezonnenheid, waarbij hij wel besefte wat hij aan het doen was, maar onvoldoende inzicht had wat de gevolgen voor hemzelf en het slachtoffer zouden zijn. Verder adviseert de deskundige het jeugdstrafrecht toe te passen bij een veroordeling. Op grond van de inventarisatie van de risicofactoren is de inschatting dat de verdachte niet snel een nieuw (gewelds)delict zal plegen. Door het ontbreken van psychopathologie is het de deskundige niet mogelijk gebleken een gericht interventieadvies op te stellen. Als aandachtspunten zijn vermeld dat de verdachte baat heeft bij een dag- en/of vrijetijdsbesteding en dat hij in een stabiele omgeving verblijft.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 juni 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige op de terechtzitting is gegeven. De verdachte staat sinds augustus 2024 onder schorsingstoezicht van de reclassering en houdt zich goed aan de opgelegde voorwaarden. Hoewel er sindsdien positieve ontwikkelingen zijn waargenomen in het leven van de verdachte, zijn er ook risicoverhogende factoren. Zo blijkt de thuissituatie van de verdachte instabiel, ervaart hij problemen met zijn emotieregulatie en heeft hij een gokverslaving. Het recidiverisico wordt dan ook ingeschat op gemiddeld. De reclassering adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een dagbesteding. Geadviseerd wordt om de begeleiding aan de volwassenreclassering op te dragen, nu dit ook nu al goed verloopt. De deskundige heeft op de terechtzitting toegelicht dat het advies en de geadviseerde bijzondere voorwaarden nog actueel zijn en dat het advies daarom wordt gehandhaafd. Ten aanzien van de geadviseerde bijzondere voorwaarde die ziet op de ambulante behandeling is verzocht om de [instelling] als instelling aan de voorwaarde toe te voegen, nu de verdachte bij deze instelling reeds is aangemeld voor behandeling.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen.
Gelet op voornoemde rapportages, de geschetste persoonlijkheid van de verdachte en de adviezen op dit onderdeel, die de rechtbank onderschrijft, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
Toerekenbaarheid
Zoals reeds vermeld heeft de Pro Justitia rapporteur de rechtbank in overweging gegeven het tenlastegelegde in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank volgt de conclusies van de psycholoog voor wat betreft de toerekenbaarheid evenwel niet. De psycholoog heeft gerapporteerd dat er geen relatie kan worden vastgesteld tussen de neurofibromatose, de aandoening waar de verdachte bekend mee is, en het tenlastegelegde. Andere aandoeningen, dan wel ziekten of stoornissen, die zouden kunnen leiden tot vermindering van toerekeningsvatbaarheid, zijn niet waargenomen. De rechtbank is van oordeel dat het functioneren van de verdachte op een jonger sociaal-emotioneel niveau niet van invloed zou moeten zijn op de mate waarin het strafbare feit aan de verdachte kan worden toegerekend. Inherent aan het toepassen van het jeugdstrafrecht is immers mede dat de verdachte functioneert op een jeugdigere leeftijd dan zijn kalenderleeftijd. De rechtbank ziet derhalve geen redenen om het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 16 juni 2024, de dag waarop de verdachte voor het eerst is verhoord. De redelijke termijn is daarmee met ongeveer drie maanden overschreden. De rechtbank volstaat met deze constatering en past geen strafvermindering toe, nu slechts sprake is van een korte overschrijding van de redelijke termijn en dit niet zodanig is dat het vertaald moet worden in een matiging van de straf.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt bij een overval op een winkel een jeugddetentie van vier maanden vermeld. In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat bij de overval is gedreigd met een mes.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor besproken omstandigheden niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 52 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Deze straf wordt deels voorwaardelijk opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat de verdachte de hulp en begeleiding krijgt die hij nodig heeft om zo de kans op recidive terug te dringen.
Daarnaast ziet de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, aanleiding om aan de verdachte ook een taakstraf op te leggen, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie. Deze straf is lager dan door de officier geëist. Bij de vaststelling van de duur van de werkstraf heeft de rechtbank, naast het hiervoor genoemde, ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 23 augustus 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan de voorwaarden heeft gehouden die aan de schorsing waren verbonden.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van maatregelen op grond van art. 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod. Het doel van deze maatregelen is beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank legt de maatregelen alleen op indien zij van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend naar personen toe zal gedragen. Gelet op het feit dat de verdachte en aangeefster geen bekenden van elkaar zijn, de omstandigheid dat er geen contact is geweest tussen de verdachte en aangeefster sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 23 augustus 2024, de toezegging van de verdachte dat hij op geen enkele wijze contact zal zoeken met aangeefster en de justitiële documentatie van de verdachte, ligt een art. 38v-maatregel niet in de rede.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen en deschadevergoedingsmaatregelen
Primera [plaats] , vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 1.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit materiële schade, te weten € 150,00 aan geld, € 750,00 aan verlies van inkomen en € 1.000,00 ter zake van het extra betalen van inkomen. Ook is de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[aangeefster] , op de terechtzitting bijgestaan door [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 30.119,04, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 25.119,04 aan materiële schade, bestaande uit € 119,04 voor medische kosten en € 25.000,00 aan verlies van arbeidsvermogen, waarbij in deze procedure een bedrag van € 15.296,46 wordt verzocht en het overige voor een eventuele eisvermeerdering in hoger beroep is, hetgeen in deze procedure niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Verder is € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade verzocht. Ook is de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Primera geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van het gestolen geld, namelijk een bedrag van € 129,00, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, wegens het ontbreken van een onderbouwing.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] geconcludeerd tot volledige toewijzing van de huidige schade, dat wil zeggen tot een bedrag van € 21.454,46, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor de toekomstige schade.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Primera gedeeltelijk kan worden toegewezen voor wat betreft het gestolen geldbedrag, te weten ter hoogte van € 124,05. De raadsman heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het gebrek aan onderbouwing, in het bijzonder wat betreft het causaal verband.
De verdediging heeft met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] verzocht om het bedrag aan immateriële schade te matigen, gelet op vergelijkbare zaken en op categorie b (ernstig) van diefstal en/of afpersing van de Rotterdamse schaal. Verder is verzocht het bedrag aan materiële schade te matigen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit bedrag niet te beoordelen is op de juiste reikwijdte van de causaliteit en de beoordeling een onevenredige belasting van het strafbeding oplevert. Verder is verzocht om geen gijzeling toe te passen, nu de verdachte volgens het jeugdstrafrecht berecht dient te worden.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering tot schadevergoeding Primera
Niet-ontvankelijk
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien uit de stukken en het onderzoek op de terechtzitting niet kan worden opgemaakt aan welke rechtspersoon de schade is toegebracht en of de indiener van het formulier, [naam 1] , namens deze rechtspersoon (wettelijk) bevoegd en gemachtigd is om de vordering tot schadevergoeding in te dienen. De rechtbank leidt uit het dossier af dat er meerdere rechtspersonen (Primera, [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V.) zijn die verbonden zijn aan de overvallen Primera winkel. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]
Gedeeltelijke toewijzing materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post medische kosten, te weten € 119,04, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal het bedrag voor de medische kosten dan ook volledig toewijzen.
Ten aanzien van de post verlies van arbeidsvermogen, te weten € 25.000,00, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Benadeelde heeft als gevolg van het feit psychische problemen ontwikkeld en is in de Ziektewet beland. Vervolgens is haar tijdelijke arbeidsovereenkomst niet verlengd. Omdat benadeelde als gevolg van het feit ziek was en daardoor niet in staat was om te werken, is de vraag of haar arbeidsovereenkomst verlengd zou worden irrelevant. Bij benadeelde is als gevolg van het feit PTSS vastgesteld, waarvoor zij behandeling in de vorm van EMDR-therapie heeft gevolgd. Tijdens deze therapie is ook een onverwerkt trauma uit de jeugd van aangeefster behandeld. Uit de brief van de psycholoog en psychiater van aangeefster blijkt dat zij de EMDR-therapie in mei 2025 met succes heeft afgerond en zij vanaf dat moment niet meer voldeed aan de criteria voor de diagnose PTSS. De rechtbank stelt vast dat de negatieve effecten van de PTSS als gevolg van het feit in mei 2025 zijn beëindigd. De rechtbank zal dan ook de vergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen toewijzen van september 2024 tot en met mei 2025, ter grootte van € 8.427,82.
De rechtbank is van oordeel dat over de periode na mei 2025 onvoldoende is gebleken dat deze schade als rechtstreeks gevolg van het feit voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de brief van de psychiater en de psycholoog blijkt namelijk dat bij aangeefster ook de diagnose borderline is vastgesteld, waarvoor zij schematherapie volgt. De oorzaak van deze diagnose ligt volgens de brief in wat haar is overkomen tijdens haar jeugd. Deze diagnose is al eerder gesteld door PsyQ; dit wordt in voormelde brief van de psycholoog en psychiater al genoemd en blijkt ook uit de verwijsbrief van de huisarts, waarin de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis vanaf 2023 wordt gemeld. De rechtbank zal dit deel van de vordering tot vergoeding van de materiële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Gedeeltelijke toewijzing immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij ook rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Zoals reeds benoemd is bij benadeelde PTSS gediagnosticeerd, waarvoor zij EMDR-therapie heeft ondergaan. Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij categorie d (minder ernstig) onder PTSS van de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de omstandigheid dat de behandeling van PTSS in mei 2025 is afgerond en dat zij derhalve in remissie is. Verder is rekening gehouden met de aard en ernst van het delict in vergelijking tot vergoedingen die in soortgelijke zaken zijn toegekend. Gelet op wat namens de benadeelde partij als toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.675,00.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Totaal
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 11.221,86, bestaande uit € 8.546,86 aan materiële schade en € 2.675,00 aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 16 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 11.221,86, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [aangeefster] .
Gijzeling
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat jeugdstrafrecht is toegepast zal geen gijzeling worden toegepast.
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert voorts dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen
(beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de redelijkerwijs rechthebbende. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat € 100,00 terug kan aan de verdachte en € 129,00 terug kan aan Primera.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het geldbedrag vermoedelijk al is teruggegeven nu de verdachte hiervan afstand heeft gedaan.
Het oordeel van de rechtbank
Inbeslaggenomen voorwerpen
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbenden gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 36f, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met
geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, door de rechtbank vastgesteld op 68 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 52 (TWEEËNVIJFTIG) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de Waag en/of de [instelling] en/of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;
3. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of andere zinvolle en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding;
4. gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de regels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (VEERTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
de vordering van de benadeelde partij Primera
verklaart de benadeelde partij Primera niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel [aangeefster]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 11.221,86 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangeefster] , een bedrag van € 11.221,86, bestaande uit € 8.546,86 aan materiële schade en € 2.675,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 juni 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering tot vergoeding van materiële schade en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 11.221,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de inbeslaggenomen goederen
gelast de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbenden, te weten € 100,00 aan [verdachte] en € 129,00 aan Primera, van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 229 EUR IBN: 16-06-2024 (Omschrijving: PL1500-2024190565-G3159031);
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
en mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.