RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.21625
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van één jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2005. Hij is op
7 januari 2025 via België de Europese Unie ingereisd. Ten tijde van het opleggen van het bestreden besluit op 16 april 2025 was hij niet langer rechtmatig in Nederland. Er was sprake van een zogenaamde ‘overstay’ van negen dagen, waarvan eiser twee dagen in detentie verbleef.
2. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de minister de ‘overstay’ niet concreet zou hebben berekend. Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag. Op de tweede pagina van het bestreden besluit, onder het kopje ‘Zienswijze’, heeft de minister duidelijk aangegeven dat eiser zijn vrije termijn heeft overschreden met negen dagen, inclusief twee dagen dat hij gearresteerd was. Deze beroepsgrond faalt.
3. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de oplegging van een inreisverbod voor de duur van één jaar onevenredig zou zijn. Eiser heeft zijn vrije termijn met slechts enkele dagen overschreden. Daarbij past een korter inreisverbod volgens eiser.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 6.5a van het Vb bedraagt de duur van een inreisverbod ten hoogste één jaar bij een overschrijding van de vrije termijn van meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen. De minister voert het beleid dat het inreisverbod kan worden verkort of achterwege kan worden gelaten als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. De omstandigheid dat de overschrijding van de vrije termijn in dit geval relatief kort is, is geen bijzondere individuele omstandigheid op grond waarvan de minister af had moeten zien van het opleggen van een inreisverbod van één jaar. Eiser heeft verder geen andere bijzondere individuele omstandigheden gesteld. Ook deze beroepsgrond faalt.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van
L. Fernandez Ferreiro, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.