Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/290042-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
verblijfadres: [adres]
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.R. Hoebeke en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. Sculic naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 29 oktober 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, één of meerdere Pokémon giftset boxen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Intertoys (vestiging: Liguster 3), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2hij op of omstreeks 29 oktober 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025366777, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 56).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 29 oktober 2025 (p. 7);
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
3. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026;
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 oktober 2025 (p. 15);
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op 29 oktober 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, Pokémon giftset boxen die aan Intertoys (vestiging: Liguster 3) toebehoorden heeft weggenomen methet oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2hij op 29 oktober 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel wordt opgelegd van plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige daders (hierna: ‘ISD-maatregel’) voor de duur van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan de verdachte geen ISD-maatregel op te leggen, maar hem te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot zes maanden bovenop de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal bij een speelgoedwinkel en daarbij voor een bedrag van bijna € 800,- aan goederen weggenomen. Winkeldiefstallen zijn vervelende feiten, die overlast geven en voor winkeliers schade veroorzaken. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het verblijven in Nederland, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard en het hem dus niet was toegestaan om in Nederland te verblijven. Hiermee heeft de verdachte zich niet alleen niet aan het Nederlandse vreemdelingenbeleid gehouden, maar ook het belang geschonden dat de samenleving heeft bij de naleving van door het bevoegd gezag genomen beslissingen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsadvies over de verdachte van 10 november 2025.
De reclassering merkt op dat de verdachte gedurende en vanwege het illegale verblijf in Nederland geen stabiele omstandigheden heeft kunnen creëren. Hij beschikt niet over vaste huisvesting of legaal werk. De verdachte heeft geen recht op sociale voorzieningen in Nederland, zodoende kan de reclassering de verdachte weinig tot niets bieden. De reclassering herkent signalen van bewust strafbaar handelen bij de verdachte om zijn middelengebruik te bekostigen en als gevolg van zijn negatieve gevoelstoestand. Ook constateert de reclassering een patroon van vermogensdelicten. De reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De reclassering ziet geen mogelijkheden om de verdachte te begeleiden met bijzondere voorwaarden. Zij geeft in overweging om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Tijdens de terechtzitting is de heer [naam] , reclasseringsmedewerker en opsteller van het reclasseringsrapport, gehoord als deskundige. Hij heeft geadviseerd om een ISD- maatregel op te leggen. Hij heeft onder meer aangegeven dat de ISD-maatregel een oplossing is voor de problemen die de verdachte heeft en voor het veelvuldige contact van de verdachte met justitie. Daarnaast heeft hij toegelicht dat gedurende de ISD-maatregel gedragsinterventies kunnen worden ingezet die daar buiten niet mogelijk zijn en dat de verdachte heeft aangegeven hulp te willen. Die hulp kan met de ISD-maatregel aangeboden worden.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voldoet. Het onder 1 bewezenverklaarde feit kwalificeert als diefstal, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 15 december 2025 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan het huidige feit ten minste drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en de reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De rechtbank deelt die inschatting en naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is. Tot slot is voldaan aan de voorwaarde dat er over de verdachte een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering is dat minder dan één jaar voor de zittingsdatum is opgemaakt.
De verdachte voldoet aan de definitie van een ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn over een periode van vijf jaren processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
De verdediging heeft aangevoerd dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, zodat de verdachte in de penitentiaire inrichting onder behandeling kan blijven van een psycholoog. De verwachting is dat de verdachte met hulp van deze psycholoog in vijf á zes maanden zijn verslaving aan methadon onder controle heeft. Volgens de verdediging zou het opleggen van een ISD-maatregel deze behandeling doorkruisen. Door de verdediging is daarnaast aangevoerd dat de verdachte weer contact heeft met familie in [geboorteland] en na afloop van de gevangenisstraf Nederland zelfstandig en vrijwillig zal verlaten,
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat er concreet zicht is op een vrijwillig vertrek door de verdachte na ommekomst van een gevangenisstraf. De rechtbank ziet daarin dan ook geen reëel alternatief om het delictgedrag van de verdachte in Nederland te beëindigen. Bij gebrek aan informatie over de behandeling van de psycholoog kan de rechtbank ook dit traject niet beschouwen als een volwaardig alternatief voor de ISD-maatregel. De verdachte heeft recent een gevangenisstraf van bijna acht maanden uitgezeten en dat heeft niet tot een ommekeer in het delictgedrag geleid. Hulpverlening door de reclassering is niet mogelijk, zodat ook een voorwaardelijk kader niet toereikend is om recidive te voorkomen.
In het licht van deze omstandigheden zijn de alternatieven uitgeput en is naar het oordeel van de rechtbank de ISD-maatregel aangewezen. De rechtbank acht de ISD-maatregel passend en wenselijk voor de verdachte. Tijdens een ISD-maatregel krijgt de verdachte hulp aangeboden die nodig is om aan verslavingen en middelengebruik te werken. De door de verdachte uitgesproken wens om aan zichzelf te werken en zijn methadon-verslaving de baas te worden, ziet de rechtbank als een indicatie voor een succesvol verloop van de ISD-maatregel Het opleggen van de ISD-maatregel ziet daarmee niet alleen op beveiliging van de maatschappij, maar ook op resocialisatie in het land van herkomst.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht het passend en geboden om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren. Om de bescherming van de maatschappij voor die duur te waarborgen, past de rechtbank geen aftrek van voorarrest toe.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n, 57, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van 2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.