RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [#] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61228
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Syrië van toepassing is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Het standpunt van verweerder dat die uitspraak alleen betrekking heeft op de veiligheidssituatie in Homs en niet van toepassing is op eiser omdat hij uit Damascus komt, volgt de rechtbank niet. Ook de verwijzing naar de Country Guidance Syrië van de EUAA van december 2025 vormt geen aanleiding om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. Uit dit rapport blijkt niet dat de humanitaire omstandigheden in Damascus minder ernstig zijn dan in andere delen van Syrië. Nu verweerder heeft nagelaten de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is sprake van een motiveringsgebrek. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 16 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. In 2010 heeft eiser Syrië verlaten vanwege de militaire dienstplicht en problemen met zijn familie. Eiser heeft in het buitenland de militaire dienstplicht afgekocht en heeft verklaard dat de problemen met zijn familie niet meer aan de orde zijn. Bij terugkeer vreest eiser voor de algehele veiligheidssituatie in Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder één asielmotief, namelijk eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder heeft dit asielmotief geloofwaardig geacht, maar stelt zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Het enkele feit dat eiser uit Syrië komt is volgens verweerder niet genoeg om dit risico aan te nemen, omdat verweerder de algemene veiligheidssituatie heeft ingeschaald op de laagste gradatie van willekeurig geweld. Eiser moet daarom aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens verweerder is eiser daar niet in geslaagd.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?
5. Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. De rechtbank heeft partijen in kennis gesteld van deze uitspraak.
6. Eiser heeft aangegeven dat deze uitspraak van 11 december 2025 op hem van toepassing is en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet heeft meegenomen. Niet alleen humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van oorlogstactiek of het oogmerk groepen burgers te raken zijn volgens eiser in dat kader relevant, maar ook de humanitaire omstandigheden die een direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is of is geweest bij een gewapend conflict.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van 11 december van de meervoudige kamer niet van toepassing is, omdat die alleen ziet op de situatie in Homs. Daarnaast stelt verweerder dat het in die uitspraak ging om een vreemdeling op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is geacht, die als gevolg van de toepasselijkheid van die uitsluitingsgrond geen rechten kan ontlenen aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat in Damascus sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en verwijst naar de brief van de Tweede Kamer van 10 juni 2025 waarin dit nader is toegelicht. Tenslotte verwijst verweerder in aanvulling op het bestreden besluit naar het rapport van de EUAA: Country Guidance Syria van 2 december 2025 (hierna: EUAA-rapport). Uit dat rapport blijkt dat Damascus gezien kan worden als het meest stabiele gebied in Syrië en concludeert de EUAA dat er in Damascus geen reëel risico bestaat dat een burger persoonlijk het slachtoffer wordt van willekeurig geweld. Ook verwijst verweerder naar gegevens van de UNHCR over terugkeer van ontheemden naar Syrië vanuit buurlanden. Een groot deel daarvan keert terug naar Damascus. Daarnaast neemt het aantal slachtoffers af.
Wat betreft de humanitaire situatie in Syrië stelt verweerder zich op het standpunt dat deze niet of nauwelijks te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Verweerder verwijst naar twee uitspraken van andere zittingsplaatsen. Volgens verweerder is de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats onjuist en daarom is ook hoger beroep ingesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 niet volgt dat die uitspraak alleen van toepassing is op Syrische asielzoekers uit Homs. In enkele overwegingen in de uitspraak gaat de rechtbank specifiek in op de veiligheidssituatie in Homs, maar de rechtbank betrekt ook bronnen die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is.De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser. De stelling van verweerder dat de uitspraak van 11 december 2025 niet van toepassing kan zijn op eiser, omdat het in die uitspraak ging om een vreemdeling op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is geacht, volgt de rechtbank niet. De verwijzing van verweerder heeft betrekking op een andere uitspraak van 11 december 2025 en treft daarom geen doel.
Ten aanzien van de verwijzing van verweerder naar de Country Guidance Syrië van de EUAA van december 2025, overweegt de rechtbank als volgt. In dat rapport concludeert de EUAA dat er in Damascus thans geen sprake is van een 15c-situatie. De rechtbank vindt de verwijzing naar dit rapport echter zonder nadere motivering onvoldoende om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 december 2025 ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen, zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Daarbij komt dat uit het EUAA-rapport van december 2025 niet blijkt dat de humanitaire situatie in Damascus minder ernstig is dan in andere delen van Syrië. Er zijn juist aanwijzingen dat de humanitaire situatie in Damascus mogelijk slechter is dan in de rest van het land. Ook in het bericht van UNHCR van 8 december 2025 wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien, omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is, en gelet op de slechte humanitaire omstandigheden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat – ondanks de aanvullende motivering ten opzichte van het besluit waarop de uitspraak van 11 december 2025 betrekking had - sprake is van een motiveringsgebrek.
Nu verweerder ook in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van art 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is reeds sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.