Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] SCPI, gevestigd te [plaats] , [land] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 26/342
(gemachtigde: M.O.E. Uyen, kantoor Previcus B.V.),
en
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking van 8 augustus 2025 de waarde van [adres] , op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2024 voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op € 25.950.000.
Eiseres heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, de waarde van de onroerende zaak verminderd tot € 24.300.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2026.
Namens eiseres is mr. L.H.G.M. Driessen verschenen, eveneens medewerker van het kantoor Previcus B.V. (Previcus).
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. de Jong en mr. K.L. Vos.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst waarbij mr. L.H.G.M. Driessen in de gelegenheid is gesteld om binnen twee weken nadere informatie te verstrekken waaruit volgt dat de heer [naam] (de heer C), die namens eiseres een volmacht aan Previcus heeft verstrekt, bevoegd is om eiseres te vertegenwoordigen.
Eiseres heeft op 16 april 2026 nadere informatie verstrekt.
Verweerder heeft op 30 april 2026 gereageerd op de stukken van eiseres.
Het onderzoek is bij brief van 13 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
Feiten
1. Verweerder heeft eiseres in de bezwaarfase met toepassing van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ een proceskostenvergoeding toegekend van € 161,76 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647, vermenigvuldigd met 0,125).
Geschil 2. Allereerst is de ontvankelijkheid van het beroep in geschil. Verweerder stelt dat de heer C niet bevoegd was om namens eiseres een volmacht aan Previcus te verstrekken, omdat uit de stukken niet blijkt welke bevoegdheden de heer C heeft. Volgens Previcus was de heer C daartoe wel bevoegd.
3. Voorts is het bedrag van de in de bezwaarfase toegekende proceskostenvergoeding in geschil. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder bij het bepalen van de proceskostenvergoeding terecht artikel 30a van de Wet WOZ heeft toegepast. Previcus stelt dat zij dient te worden aangemerkt als een ‘bijzonder geval’ zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 en dat artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing dient te blijven. Verweerder stelt dat hij de proceskostenvergoeding terecht op grond van voornoemd artikel heeft gematigd.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
4. In de door Previcus in beroep overgelegde volmacht staat dat de heer C eiseres en de vennootschap [bedrijfsnaam] vertegenwoordigt. Daarnaast heeft Previcus een uittreksel uit het Franse nationale bedrijvenregister (Registre national des entreprises) overgelegd. Hieruit volgt dat [bedrijfsnaam] bestuurder of manager (gérant) is van eiseres, en dat beide vennootschappen zijn gevestigd op hetzelfde adres. Als nader stuk voor de zitting heeft Previcus een (gedeeltelijke) schermafbeelding overgelegd waaruit volgt dat de heer C bestuurder (dirigeant) is van [bedrijfsnaam] . Previcus heeft na de zitting twee nadere uittreksels uit het Franse nationale bedrijvenregister overgelegd, waaruit onder meer volgt dat de heer C president (président) is van [bedrijfsnaam] . Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de heer C bevoegd is om namens eiseres op te treden. Het beroep is daarmee ontvankelijk.
Artikel 30a van de Wet WOZ
5. Artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ luidt als volgt:
“Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onder toepassing van de nadere regels gesteld krachtens het vierde lid van dat artikel, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het bezwaar tegen een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of tegen een daarmee verband houdend besluit, vermenigvuldigd met 0,125. De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 7:15, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
6. Het voornoemde artikel is bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (de Wet herwaardering) aan de Wet WOZ toegevoegd. De Wet herwaardering matigt de hoogte van de proceskostenvergoeding bij gegronde bezwaar- en beroepsprocedures in WOZ en bpm-zaken. De inleiding van de memorie van toelichting bij het voorstel tot wetswijziging vermeldt onder meer het volgende:
“[…] de Belastingdienst, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, gemeentelijke uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak [hebben] signalen afgegeven over het toegenomen aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat wordt gevoerd in het kader van de Wet [WOZ en bpm] en het toegenomen aandeel van professioneel rechtsbijstandsverleners die daarbij doorgaans optreden op basis van het principe van «no cure, no pay». Dat betekent dat de burger of het bedrijf niets betaalt als het bezwaar wordt afgewezen of hij in beroep niet in het gelijk wordt gesteld. Als het bezwaar of beroep wel (geheel of gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, draagt de belanghebbende de eventuele proceskostenvergoeding, vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en/of dwangsom bij niet tijdig beslissen af aan de «no cure no pay»-gemachtigde. Een belanghebbende loopt geen (financieel) risico, aangezien geen «instapbedrag» wordt overeengekomen of een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bezwaar aantekenen wordt daardoor een spel zonder nieten. Hierdoor kunnen deze bedrijven laagdrempelige rechtshulp bieden. Op zichzelf is er daarom geen bezwaar tegen die wijze van bijstand. Het kan echter wel wringen als het doel van de procedure is om onder meer een proceskostenvergoeding en een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen en dat daarbij het belang van de belanghebbende niet per se leidend is. Een belanghebbende heeft namelijk als doel dat de waarde van de betreffende onroerende zaak (WOZ-waarde) of de waarde voor de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) (doorgaans: naar beneden) wordt bijgesteld, terwijl een «no cure no pay»-gemachtigde er belang bij heeft om, als de waarde niet meer in geschil is, verder te procederen op procedurele gronden om zo een proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade te verkrijgen. Het kan ook in het belang van een «no cure no pay»-gemachtigde zijn om pas in een latere fase alle relevante informatie te verstrekken, waarmee de heffingsambtenaar de mogelijkheid wordt ontnomen om in de bezwaarfase een juist besluit te nemen en het geschil op die wijze te laten eindigen. Daarnaast heeft een «no cure no pay»-gemachtigde er belang bij zoveel mogelijk proceshandelingen te verrichten om een hogere proceskosten vergoeding te verkrijgen, ook als bijvoorbeeld een hoorgesprek in de praktijk niet de functie heeft waarvoor het is bedoeld. Sinds enkele jaren is de praktijk dat burgers die worden bijgestaan door een gemachtigde in de regel niet bij een hoorgesprek aanwezig zijn en dat hoorgesprekken in het kader van de Wet WOZ steeds vaker schriftelijk worden gevoerd.”
Het doel van de Wet herwaardering wordt in de memorie van toelichting als volgt omschreven:
“Het doel van de voorgestelde maatregelen is om de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen. Het onderhavige voorstel strekt ertoe dat doel te bereiken door de overcompensatie weg te nemen die er op dit moment is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag en door de hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn meer in lijn te brengen met de veronderstelde spanning en frustratie die gepaard gaan met het wachten op een uitspraak in die procedures. Benadrukt wordt dat de proceskostenvergoeding niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar sinds de invoering ervan is bedoeld als tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico’s van het maatschappelijk verkeer. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat belanghebbenden zich bewust zijn van de procedures die in hun naam worden gevoerd en van de kosten en inspanningen die hiermee voor de maatschappij gepaard gaan.”
7. In zijn arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever met het beperken van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet herwaardering het oog heeft gehad op gevallen waarbij rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ (en in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994), waardoor de proceskostenvergoeding niet zal worden gematigd. Of het bedrijfsmodel kennelijk niet aan de voornoemde drie kenmerken voldoet, dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de Wet herwaardering worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
8. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om een bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende. Hierbij moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor een of meer van de voornoemde drie kenmerken niet heeft. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die zijn verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet, maar is meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.
Het bezwaar in de onderhavige zaak is ingediend op 8 augustus 2025. De rechtbank zal daarom beoordelen of het bedrijfsmodel van Previcus op dat moment niet voldeed aan een of meer van de voornoemde drie kenmerken. Previcus stelt dat zij vanaf 1 januari 2025 alleen nog betaalde procedures voert, en dus niet meer op no cure no pay-basis werkt. Ter onderbouwing zijn de volgende stukken overgelegd: (i) een (algemene) offerte, met daarin een toelichting op de werkwijze van Previcus (de offerte), (ii) een (algemene) toelichting op het bedrijfsmodel van Previcus in relatie tot artikel 30a van de Wet WOZ (de toelichting), en (iii) twintig facturen van Previcus aan cliënten en bijbehorende betaalbewijzen.
In de toelichting staat beschreven dat Previcus in 2025 1.291 aanslagbiljetten in behandeling had, waarvan de vergoeding bestond uit een vaste ‘startfee’ (749 biljetten), en/of een ‘besparingsfee’ (1.199 biljetten), of alleen no cure no pay (21 biljetten). Voorts staat in de toelichting en de offerte dat voor de startfee een prijsafspraak op maat wordt gemaakt aan de hand van het aantal aanslagbiljetten, met als richtbedragen € 500 voor 1 t/m 10 aanslagbiljetten en € 950 voor 11 t/m 20 aanslagbiljetten. Het richtbedrag loopt per tiental op tot € 3.200 voor 91 t/m 100 aanslagbiljetten. Elke belanghebbende betaalt daarom een vast bedrag, ongeacht de uitkomst van de zaak, aldus Previcus. De besparingsfee is in de regel 40% van de bespaarde belasting, maar kan afwijken. Daarnaast ontvangt Previcus volgens de offerte en de bij het beroepschrift gevoegde volmacht ook de eventueel aan een belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding, dwangsom en immateriële schadevergoeding. Van de twintig overgelegde facturen hebben er elf betrekking op (de tweede helft van) 2025. In deze facturen wordt óf een startfee, óf een besparingsfee van 40% dan wel 27,5% in rekening gebracht. In de toelichting staat voorts dat Previcus vanwege het bedrijfsbelang en de privacy van haar cliënten niet alle afzonderlijke prijsafspraken zal overleggen, en vanwege de praktische onuitvoerbaarheid evenmin inzage zal geven in haar kosten per procedure.
10. Aan het tweede vereiste (zodanige afspraken met cliënten dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde wordt afgedragen) is voldaan. In de offerte en volmacht is immers bepaald dat Previcus de eventueel toegekende proceskostenvergoeding, dwangsom en immateriële schadevergoeding ontvangt. Previcus heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet aan het derde vereiste is voldaan (procedures worden op zodanige wijze gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen), omdat zij geen inzicht heeft gegeven in het totaal aan proceskostenvergoedingen dat zij in 2025 ontving en de totale kosten die kunnen worden toegerekend aan het voeren van procedures waarop de proceskostenvergoedingen betrekking hebben. De rechtbank gaat er daarom van uit dat ook aan het derde vereiste is voldaan.
Ten aanzien van het eerste vereiste (er wordt opgetreden op basis van no cure no pay) overweegt de rechtbank als volgt. Previcus heeft – naast een beperkte selectie van facturen – cijfers overgelegd waaruit volgens haar volgt dat bij nagenoeg alle procedures die zij in 2025 voert een startfee en/of een besparingsfee in rekening wordt gebracht. Ten aanzien van de startfee heeft Previcus met de door haar overgelegde stukken onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat deze vergoeding inhoudt. Niet duidelijk is of de in de toelichting gepresenteerde staffel (met een bepaald bedrag per aantal aanslagbiljetten) daadwerkelijk wordt toegepast of dat er veelal afwijkende afspraken worden gemaakt. Ook is de hoogte van de instapvergoeding per WOZ-object ongewis aangezien er meerdere WOZ-objecten op één aanslagbiljet kunnen staan. Previcus heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de startfee niet dusdanig laag is dat die betaling als een symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
Ook de besparingsfee doet niet af aan het no cure no pay-model. Uit de door Previcus overgelegde stukken blijkt niet of in alle gevallen met hetzelfde percentage van de bespaarde belasting wordt gerekend, zodat deze vergoeding niet als vast onderdeel van het bedrijfsmodel kan worden aangemerkt. Verder geldt dat het doel van de Wet herwaardering is om de financiële prikkel weg te nemen bij rechtsbijstandsverleners die optreden op basis van no cure no pay, door overcompensatie weg te nemen. De wettekst en wetsgeschiedenis bevatten geen definitie van no cure no pay, maar in de hiervoor geciteerde inleiding van de memorie van toelichting is wel de huidige praktijk beschreven. Hierin is onder meer opgemerkt dat de belanghebbende, als hij niet in het gelijk wordt gesteld, niets aan de rechtsbijstandsverlener is verschuldigd, en als hij wel (deels) in het gelijk wordt gesteld de eventueel toegekende proceskostenvergoeding, vergoeding voor immateriële schade en dwangsom aan de rechtsbijstandsverlener overdraagt. Voorts is opgemerkt dat de belanghebbende daarbij geen (financieel) risico loopt, waardoor bezwaar aantekenen een spel zonder nieten wordt. De besparingsfee maakt niet dat een belanghebbende wel een wezenlijk financieel risico loopt, in het licht van (de bedoeling van) de Wet herwaardering. Immers, door de besparingsfee wordt slechts het voordeel van de belanghebbende bij een gewonnen procedure minder groot; een nadeel kan hem dat niet opleveren. De besparingsfee maakt daarom niet dat artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet blijven.
12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van Previcus niet aan een of meer van de voornoemde drie kenmerken voldoet. Verweerder heeft de proceskostenvergoeding daarom terecht op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ verminderd.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).