Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/202065-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats] ,
verblijfadres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 oktober 2025 (pro forma) en 20 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.W. Dirkzwager naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 april 2025 tot
en met 1 juli
2025 te Leiden en/of elders in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders
persoonlijke
levenssfeer, te weten die van één of meer medewerkers van de Gemeente Leiden, te
weten [aangeefster 1]
en/of [aangeefster 2] en/of [aangeefster 3] ,
door
- die [aangeefster 1] veelvuldig, althans meermalen, te bellen (in welke gesprekken
verdachte zich al dan
niet bedreigend en/of beledigend en/of intimiderend uitliet) en/of
- die [aangeefster 1] veelvuldig, althans meermalen, app-berichten (al dan niet bevattende
(be)dreigende
en/of intimiderende en/of beledigende teksten en/of afbeeldingen) toe te sturen via
en/of andere sociale media en/of
- die [aangeefster 2] en/of de echtgenoot van die [aangeefster 2]
veelvuldig, althans meermalen te bellen (in welke gesprekken verdachte
zich al dan niet bedreigend en/of beledigend en/of intimiderend uitliet) en/of
- die [aangeefster 2] en/of de echtgenoot van die [aangeefster 2]
veelvuldig, althans meermalen, app-berichten via whatsapp en/of andere
sociale media en/of e-mailberichten (al dan niet bevattende (be)dreigende en/of
intimiderende en/of beledigende teksten en/of afbeeldingen) toe te sturen (waaronder ook foto’s van familieleden van die [aangeefster 2] ) en/of
- zich in de omgeving van het woonadres van die [aangeefster 2] op te houden
en/of één of meer buurtgenoten en/of kennissen van die [aangeefster 2] te benaderen en/of aan te spreken voor het telefoonnummer van de echtgenoot van die [aangeefster 2] en/of
- meermalen, althans eenmaal, naar de school van de kinderen van die [aangeefster 2]
te bellen en/of
- veelvuldig, althans meermalen, die [aangeefster 3] te bellen (in welke gesprekken
verdachte zich al dan niet bedreigend en/of beledigend en/of intimiderend uitliet) en/of
- een kennis van die [aangeefster 3] veelvuldig te bellen en naar die [aangeefster 3] te vragen en/of
- tegen die [aangeefster 2] te zeggen dat hij wist waar die [aangeefster 3] woonde en
hoe haar kinderen heten,
met het oogmerk die genoemde [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] en/of Verkuijlen
en/of [aangeefster 3] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de tenlastegelegde periode dient te worden ingekort van 18 april 2025 naar 31 mei 2025. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn verschillende factoren van belang, te weten de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Belaging
Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen redengevende omstandigheden blijkt dat de verdachte gedurende bovengenoemde periode veelvuldig contact heeft gezocht met de drie aangeefsters. De gedragingen van de verdachte bestonden mede uit veelvuldige pogingen tot telefonisch contact, daadwerkelijk telefonisch contact en het versturen van berichten via Whatsapp. Daarnaast is de verdachte via sociale media informatie en afbeeldingen gaan verzamelen over de kinderen en familieleden van twee van de aangeefsters, heeft hij veelvuldig contact gezocht met een kennis van één van de aangeefsters en heeft hij zelfs de voetbalvereniging van de echtgenoot van één van de aangeefsters gebeld om zijn telefoonnummer te achterhalen. Nadat dit was gelukt, heeft hij deze echtgenoot ook herhaaldelijk gebeld en berichten gestuurd. Ook heeft hij de school van de kinderen van deze aangeefster gebeld. De frequentie waarmee de verdachte contact zocht was hoog: de verdachte heeft op enig moment 150 berichten op één dag naar één van de aangeefsters gestuurd.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van de aangeefsters zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Uit de berichten die de verdachte naar de aangeefsters en naar de echtgenoot van één van de aangeefsters heeft verstuurd komt naar voren dat de verdachte op indringende en intimiderende wijze heeft geprobeerd met hen in contact te komen en dat de aangeefsters herhaaldelijk aan de verdachte te kennen hebben gegeven hiervan niet gediend te zijn. De verdachte heeft zelfs een bel- en contactverbod gehad, waar hij zich niets van heeft aangetrokken. Uit de aangiftes en het getuigenverhoor blijkt dat het handelen van de verdachte invloed heeft gehad op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefsters. De pogingen van de verdachte om met de aangeefsters in contact te komen en de berichten die hij naar hen heeft verstuurd, in het bijzonder het dreigen met contact zoeken via de kinderen van de aangeefsters, hebben de aangeefsters als beangstigend en bedreigend ervaren. De verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat het doel van zijn handelen gelegen was in het uitoefenen van druk op de aangeefsters, zodat zij zouden doen wat hij wilde.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachte gericht zijn geweest op het dwingen van de aangeefsters om contact met hem, de verdachte, te hebben en hem hulp te bieden bij onder meer het verkrijgen van woonruimte. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt en dat hij deze meermalen heeft gepleegd, namelijk jegens de drie aangeefsters.
De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij op 14 juni 2025 willekeurig mensen op straat heeft aangesproken en heeft gevraagd of zij de echtgenoot van aangeefster [aangeefster 2] kenden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan de getuigenverklaring van de echtgenoot te twijfelen en is, gelet op alle overige feiten en omstandigheden in het dossier, van oordeel dat wel degelijk wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte ook deze gedragingen heeft gepleegd.
Ten laste gelegde periode
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de belaging al is begonnen op 18 april 2025. Uit het dossier zou volgen dat pas sinds 31 mei 2025 sprake is geweest van stelselmatigheid. De verdediging concludeert dan ook dat de periode slechts kan worden bewezen vanaf 31 mei 2025 en dat partiële vrijspraak dient te volgen voor de periode tussen 18 april 2025 en 31 mei 2025. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dit punt op het standpunt gesteld dat de verdachte ook in die periode contact heeft gezocht met de aangeefsters. Bovendien zou uit het dossier volgen dat zelfs al langer sprake is geweest van belaging. Zo heeft één van de aangeefsters in haar aangifte verklaard zich al sinds 19 november 2024 gestalkt te voelen, omdat hij haar twee keer per dag belde. Vanaf 28 mei 2025 ging het verder mis. Deze eerdere datum kan worden meegenomen in beoordeling van de stelselmatigheid.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ook tussen 18 april 2025 en 31 mei 2025 telefonisch contact heeft gezocht met de aangeefsters [aangeefster 2] en [aangeefster 3] , zij het van een lagere frequentie dan de periode daarna. Dat de gedragingen van de verdachte na eind mei geëxplodeerd zijn, laat onverlet dat de verdachte voorafgaand daaraan ook stelselmatig contact van een bepaalde aard heeft gezocht. De rechtbank beoordeelt de gedragingen van de verdachte in de gehele context. De rechtbank verwerpt het verweer.
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 18 april 2025 tot en met 1 juli 2025 te Leiden
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders
persoonlijke levenssfeer, te weten die van meer medewerkers van de Gemeente Leiden, te
weten [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en [aangeefster 3] ,
door
- die [aangeefster 1] veelvuldig te bellen (in welke gesprekken
verdachte zich al dan niet bedreigend en beledigend en intimiderend uitliet) en
- die [aangeefster 1] meermalen, app-berichten (al dan niet bevattende
(be)dreigende en intimiderende en beledigende teksten) toe te sturen via
en
- die [aangeefster 2] en de echtgenoot van die [aangeefster 2]
veelvuldig, te bellen (in welke gesprekken verdachte
zich al dan niet bedreigend en beledigend en intimiderend uitliet) en
- die [aangeefster 2] en de echtgenoot van die [aangeefster 2]
veelvuldig, app-berichten via whatsapp en andere
sociale media en e-mailberichten (al dan niet bevattende (be)dreigende en
intimiderende en beledigende teksten en afbeeldingen) toe te sturen (waaronder ook foto’s van familieleden van die [aangeefster 2] ) en
- zich in de omgeving van het woonadres van die [aangeefster 2] op te houden
en één of meer kennissen van die [aangeefster 2] te benaderen en aan te spreken voor het telefoonnummer van de echtgenoot van die [aangeefster 2] en
- eenmaal, naar de school van de kinderen van die [aangeefster 2] te bellen
en
- veelvuldig, die [aangeefster 3] te bellen (in welke gesprekken
verdachte zich al dan niet bedreigend en beledigend en intimiderend uitliet) en
- een kennis van die [aangeefster 3] veelvuldig te bellen en naar die [aangeefster 3] te vragen en
- tegen die [aangeefster 2] te zeggen dat hij wist waar die [aangeefster 3] woonde en
hoe haar kinderen heten,
met het oogmerk die genoemde [aangeefster 1] en [aangeefster 2]
en [aangeefster 3] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 228 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de aangeefsters en alle andere medewerkers van de gemeente Leiden en een locatieverbod voor het stadhuis van de Gemeente Leiden en de Bargelaan 190 te Leiden. De officier van justitie vordert de dadelijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden. Tevens vordert de officier van justitie een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Daarnaast vordert de officier van justitie om aan de verdachte voor de duur van twee jaren een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v, tweede lid, sub b Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met de aangeefsters en alle andere medewerkers van de Gemeente Leiden alsmede een locatieverbod voor het stadhuis van de Gemeente Leiden en de Bargelaan 190 te Leiden. Bij schending van het contact- en locatieverbod dient de verdachte steeds voor de duur van twee weken in vervangende hechtenis te worden genomen met een maximum van zes maanden.
Ten slotte vordert de officier van justitie op grond van artikel 38v, vierde lid, Sr, de dadelijke tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregelen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, nu de verdachte tweemaal door een deskundige is gesproken in het kader van een trajectconsult en de deskundige naar aanleiding daarvan heeft gerapporteerd dat de verdachte eerder is gediagnosticeerd met ADHD en een normoverschrijdende gedragsstoornis. Hoewel niet is vastgesteld dat dit heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde kan de rechtbank dit volgens de verdediging zelf vaststellen. Voorts verzoekt de verdediging een gevangenisstraf op te leggen van 150 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de 38v maatregel heeft de verdediging geen bezwaar tegen een contactverbod met de aangeefsters, maar wel tegen een contactverbod met alle medewerkers van de gemeente Leiden, omdat hij als inwoner van de gemeente Leiden aan die gemeente verbonden is en anders geen uitkering aan kan vragen en geen gebruik kan maken van ondersteuning bij het vinden van passende woonruimte.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van drie medewerkers van de gemeente Leiden. Gedurende een periode van twee en een halve maand heeft hij de aangeefsters obsessief bestookt met telefoontjes, e-mails, whatsapp-berichten en heeft hij zelfs via sociale media gegevens en afbeeldingen verzameld van directe familie van de slachtoffers waaronder hun kinderen en gedreigd hen te benaderen wanneer de aangeefsters hem niet ter wille waren. Dit alles om druk uit te oefenen op de aangeefsters, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Bij één van de slachtoffers heeft de verdachte ook daadwerkelijk haar echtgenoot benaderd en hem herhaaldelijk gebeld en berichten gestuurd. Dit alles met als doel om een passende woning te krijgen van de Gemeente Leiden en eventueel hulp bij andere problemen. De verdachte heeft daarmee stelselmatig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefsters en hun familieleden. De aangeefsters hebben dit als intimiderend, bedreigend en beangstigend ervaren. Aangeefster [aangeefster 2] is door het handelen van de verdachte zelfs ziek uitgevallen op haar werk. Weliswaar heeft de verdachte ter zitting bekend dat hij heeft gebeld, de berichten heeft gestuurd en actief op zoek is geweest naar informatie over de familie van aangeefsters, maar toont hij weinig inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen en neemt daar op minimale wijze verantwoordelijkheid voor. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 7 januari 2026, waaruit volgt dat sprake is van ernstige verslavingsproblematiek en het ontbreekt de verdachte aan een steunend netwerk. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Het middelengebruik, psychosociaal functioneren, sociaal netwerk en relatie met familie acht de reclassering delictgerelateerd en risicoverhogend. De reclassering heeft een langdurige klinische behandeling met aansluitend plaatsing in een begeleide
woonvorm overwogen, zodat uitgebreid diagnostisch onderzoek plaats kan vinden en de verdachte niet afhankelijk is van zijn ouders voor huisvesting. Gezien de houding van de verdachte en diens afkeer van forensische interventies is dit momenteel echter niet haalbaar en uitvoerbaar. De reclassering adviseert om de verdachte bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Wel adviseert de reclassering een contact en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Het betreft dan een contactverbod met de aangeefsters en alle medewerkers van de gemeente Leiden en een locatieverbod voor het stadhuis van de Gemeente Leiden (Stadhuisplein 1, 2311 EJ Leiden) en het stadskantoor aan de Bargelaan 190 te Leiden.
De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het trajectconsult van 4 juli 2025 en het trajectconsult van 22 juli 2025. Deze consulten hebben in een vroeg stadium van de strafzaak plaatsgevonden en bevatten geen diagnostische conclusies waar de rechtbank in haar besluitvorming rekening mee kan houden.
Toerekenbaarheid
Ten aanzien van de toerekenbaarheid overweegt de rechtbank dat zij in deze zaak niet beschikt over een rapportage waarin bij verdachte een stoornis is vastgesteld door een deskundige. Tevens is niet bekend of en in hoeverre, als die stoornis al aanwezig is, deze doorgewerkt heeft in het tenlastegelegde. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De op te leggen straffen
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de modaliteit gevangenisstraf (deels onvoorwaardelijk) en daarnaast een taakstraf, gelet op de ernst van de feiten, in het bijzonder het uiterst indringende handelen van de verdachte, passend en geboden is.
De rechtbank zal een gevangenisstraf voor de duur van 228 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf de door de officier van justitie gevorderde voorwaarde van een contactverbod met de aangeefsters verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden hen op welke manier dan ook te benaderen en zo de kans op recidive terug te dringen.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een contactverbod op leggen met betrekking tot alle medewerkers van de gemeente Leiden. De verdachte heeft op dit moment woonplaats in Leiden, bij zijn ouders. De rechtbank constateert dat zich sinds de schorsing van 27 oktober 2025 geen incidenten meer hebben voorgedaan. Ook de verdachte moet zich als burger tot de gemeente kunnen wenden. Gelet hierop acht de rechtbank de oplegging van een contactverbod met alle medewerkers van de gemeente thans niet proportioneel. Om deze reden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om een locatieverbod voor het Stadhuis en het Stadskantoor op te leggen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] .
Gelet op de dreigende taal van de verdachte en het feit dat hij er niet voor terugdeinst om fysiek op zoek te gaan naar mensen in de buurt van de slachtoffers is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregelen
De rechtbank ziet naast de op te leggen (deels voorwaardelijke) straf met bijzondere voorwaarden aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen. In het geval dat het voorwaardelijk deel van de aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd omdat de verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, dient daarnaast nog een vangnet te zijn zodat de verdachte geen contact mag opnemen met de aangeefsters. Dit vangnet kan – ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten – door middel van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr worden vormgegeven. Deze maatregel wordt voor iedere aangeefster afzonderlijk opgelegd aan de verdachte, waardoor dus sprake is van drie vrijheidsbeperkende maatregelen.
Deze maatregelen houden in dat de verdachte gedurende een periode van twee jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag zoeken of hebben met aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] . De vervangende hechtenis wordt vastgesteld op twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank beslist verder dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank moet er – mede gelet op het eerder overwogene – ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen tegenover bepaalde personen, te weten de aangeefsters.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w, 285b van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
belaging, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 228 DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 120 DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met
1. [aangeefster 1] geboren op [geboortedatum 2] 1976;
2. [aangeefster 2] geboren op [geboortedatum 3] 1978;
3. [aangeefster 3] geboren op [geboortedatum 4] 1968,
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 180 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 DAGEN;
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] geboren op [geboortedatum 2] 1976;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1978;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 3] geboren op [geboortedatum 4] 1968;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Wieringa, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2026.