[bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres(gemachtigde: mr. M. van Leeuwen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 24 juni 2025 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2019 opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026.
Namens eiseres is verschenen [naam 1] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijst de zaak terug naar verweerder en draagt verweerder op opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.267;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.
Overwegingen
1. Bij brief van 15 november 2024 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over zijn voornemen om voor, onder andere, het jaar 2019 een navorderingsaanslag Vpb op te leggen.
2. Gedurende 2024 is door een controlemedewerker van de belastingdienst veelvuldig gecorrespondeerd met de adviseur van eiseres. In een e-mail van 29 november 2024 aan de adviseur van eiseres heeft de controlemedewerker opgenomen dat hij in verband met aanstaande verjaring een navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2019 heeft laten opleggen.
3. In een e-mail van 5 december 2024 geeft de adviseur van eiseres aan dat door eiseres nog geen (navorderings)aanslag voor het jaar 2019 is ontvangen. Hij verzoekt een duplicaat van de aanslag te verstrekken.
4. Aan eiseres is met dagtekening 21 december 2024 een navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2019 (de navorderingsaanslag) opgelegd. Op het aanslagbiljet is 21 januari 2025 als uiterste betaaldatum vermeld.
5. Bij uitblijven van betaling van de navorderingsaanslag is met dagtekening 5 februari 2025 een betalingsherinnering aan eiseres verstuurd.
6. Met dagtekening 14 maart 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. In het bezwaarschrift is opgenomen dat zij pas na ontvangst van de betalingsherinnering bekend is geraakt met de navorderingsaanslag en dat zij de betalingsherinnering pas zeer recent heeft ontvangen.
7. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag is bij uitspraak op bezwaar van 24 juni 2025 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
8. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan op de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet. Op grond van artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door het bestuursorgaan is ontvangen. Indien een bezwaarschrift te laat is ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift betrokkene niet is toe te rekenen. In dat geval laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.
9. Het bezwaar is op 18 maart 2025 ontvangen en daarmee ruim buiten de termijn van zes weken na dagtekening van de navorderingsaanslag. Eiseres heeft als reden voor te late indiening van het bezwaarschrift gegeven dat zij de navorderingsaanslag niet heeft ontvangen. Verweerder dient daarom aannemelijk te maken dat de aanslag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, zodat de bezwaartermijn op grond van artikel 22j van de Awr kon aanvangen met ingang van de dag na de dagtekening van de betreffende aanslag. Blijkens de navorderingsaanslag is deze geadresseerd aan het adres van eiseres. Uit het verzendrapport van de inspecteur blijkt dat de aanslag uitsluitend naar het adres van eiseres is gestuurd. Hoewel er geen wettelijke bepaling is die de inspecteur verplicht om het aanslagbiljet (tevens) aan de adviseur te sturen, is in de wetsgeschiedenis van artikel 2:1 van de Awb het volgend vermeld:
“Een bestuursorgaan dat, wetend dat een gemachtigde is aangesteld, bepaalde stukken niet (tevens) aan deze gemachtigde doet toekomen, kan daarom in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding handelen (…). Veel zal van de omstandigheden afhangen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van belanghebbende zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen.”
10. Gelet op de uitvoerige correspondentie die de controlemedewerker voorafgaand aan het opleggen van de aanslag met de adviseur heeft gevoerd en het feit dat de adviseur naar aanleiding van een mail van de controlemedewerker heeft gevraagd om een duplicaat van de aanslag, lag het naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval op de weg van verweerder om de aanslag tevens aan de adviseur te sturen. De rechtbank ziet hierin een omstandigheid op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege dient te blijven.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep gegrond verklaard.
12. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de zaak niet terug te wijzen, maar zelf in de zaak te voorzien. Daarvoor heeft hij geen specifieke redenen aangevoerd. De rechtbank gaat voorbij aan dit verzoek en ziet aanleiding de zaak terug te wijzen naar verweerder voor een inhoudelijk oordeel over de juistheid van de navorderingsaanslag.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.267 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank heeft de wegingsfactor op 0,5 bepaald omdat het beroep uitsluitend is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).