RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.727
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Bouyaghjdane),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft bij besluit van 23 november 2022 bepaald dat verzoekers asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Op 29 november 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van 16 december 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2022:11032). Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Op 9 januari 2023 heeft verzoeker opnieuw beroep ingesteld tegen het bestreden besluit .
Op 10 januari 2023 is eiser overgedragen aan Duitsland.
Verzoeker heeft het beroep van 9 januari 2023 ingetrokken op 19 januari 2023 en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank stelt vast dat thans ter beoordeling ligt het door verzoeker op 9 januari 2023 ingestelde beroep, dat op 19 januari 2023 is ingetrokken. Uit het procesverloop blijkt dat verzoeker twee keer beroep heeft ingesteld tegen hetzelfde bestreden besluit. Bovendien is het tweede beroep van 9 januari 2023 ingesteld buiten de wettelijke beroepstermijn van één week. Het tweede beroep van verzoeker zou dan ook niet-ontvankelijk zijn verklaard als hij zijn beroep niet had ingetrokken.
3. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.