[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Hijma),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
In het besluit van 20 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op verzoek van verweerder en met instemming van eiseres heeft de rechtbank de zaak voor zestien weken aangehouden.
Verweerder heeft op 7 januari 2026 een aanvullend besluit uitgebracht. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede op dit besluit betrekking.
Eiseres heeft de gronden van het beroep tweemaal aangevuld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans.
Na completering van de dossierstukken door beide partijen is op 4 februari 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [datum] 2004 en heeft de Syrische nationaliteit.
2. In 2020 is eiseres naar Nederland gekomen op basis van een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘studie’. Na het volgen van een tweejarige opleiding heeft eiseres op 25 mei 2022 asiel aangevraagd. Op 21 en 23 augustus 2023 is eiseres door verweerder gehoord over haar asielmotieven. Eiseres heeft verklaard dat zij in Syrië gevaar loopt vanwege de algemene veiligheidssituatie, de politieke activiteiten van haar vader en haar afvalligheid van de islam.
3. Op 10 oktober 2023 heeft verweerder het voornemen geuit om de asielaanvraag van eiseres af te wijzen. In haar zienswijze op dit voornemen heeft eiseres een nieuw asielmotief naar voren gebracht, namelijk dat zij in Syrië ook gevaar loopt omdat zij biseksueel is. Hierover is eiseres op 15 december 2023 door verweerder aanvullend gehoord. Verweerder heeft vervolgens een aanvullend voornemen uitgebracht, waarop eiseres heeft gereageerd met een aanvullende zienswijze.
4. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiseres afvallig is van de islam. Dat haar vader politieke activiteiten heeft ontplooid en dat eiseres daardoor problemen heeft ondervonden, heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft ook ongeloofwaardig geacht dat eiseres biseksueel is. Er is volgens verweerder geen aanleiding om aan eiseres een asielvergunning te verlenen omdat zij eerder uit eigen beweging is teruggekeerd naar Syrië, en omdat afvalligen van de islam in Syrië niet worden vervolgd.
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat haar eerdere terugkeer naar Syrië niet per definitie betekent dat zij in Syrië geen gevaar meer loopt. Hierbij heeft verweerder volgens eiseres geen rekening gehouden met de omstandigheden dat zij in 2021 slechts voor een korte periode is teruggekeerd en dat zij toen nog minderjarig was.
6. Op 8 december 2024 heeft er een regimewisseling plaatsgevonden in Syrië. Naar aanleiding hiervan is de zaak aangehouden zodat verweerder eiseres aanvullend kon horen. Dit is op 16 juli 2025 gebeurd. Eiseres heeft verklaard dat zij ook onder het nieuwe regime gevaar loopt in Syrië vanwege haar afvalligheid van de islam en haar biseksualiteit. Ook heeft eiseres verklaard dat zij journalistieke werkzaamheden verricht, met de oorlog in Syrië en de LHBTI-gemeenschap als onderwerpen.
7. In de eerste aanvulling op haar beroepsgronden voert eiseres aan dat verweerder haar biseksualiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hierbij heeft verweerder volgens eiseres onvoldoende acht geslagen op haar referentiekader, met name haar jeugdige leeftijd. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres teveel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat zij dit asielmotief niet meteen naar voren heeft gebracht. Eiseres vindt dat zij wel degelijk in voldoende mate heeft verklaard over de ontdekking van haar geaardheid, over wat dit met haar deed, over haar relatie met een meisje in Syrië en over de LHBTI-gemeenschappen in Syrië en Nederland.
8. Na een tweede aanvullend voornemen en een tweede aanvullende zienswijze, heeft verweerder in het aanvullende besluit van 7 januari 2026 uiteengezet waarom hij nog steeds geen aanleiding ziet om aan eiseres een asielvergunning te verlenen. Verweerder heeft de door eiseres gestelde journalistieke werkzaamheden deels geloofwaardig geacht. Uit recente landeninformatie volgt echter niet dat afvalligen van de islam of journalisten door het nieuwe regime in Syrië worden vervolgd.
9. In de tweede aanvulling op haar beroepsgronden voert eiseres aan dat haar gebrekkige verklaringen geen reden zijn om haar journalistieke werkzaamheden niet volledig te volgen. Ook voert eiseres aan dat het nieuwe regime in Syrië een islamitische achtergrond heeft, en dat sprake is van een onstabiele en onzekere situatie zodat zij mogelijk in de toekomst het slachtoffer zou kunnen worden van onverdraagzaamheid. Hierbij wijst eiseres ook op haar positie als verwesterde vrouw, waarbij zij vindt dat verweerder haar hierover ten onrechte niet aanvullend heeft gehoord.
10. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit en het aanvullende besluit juist zijn. Het beleid over Syrische terugkeerders is niet meer actueel en behoeft daarom geen bespreking meer. De beroepsgronden geven geen aanleiding om de journalistieke werkzaamheden alsnog volledig geloofwaardig te achten. Er moet een beoordeling worden gemaakt van de actuele situatie, niet van de mogelijke toekomstige situatie. Eiseres is op 16 juli 2025 in de gelegenheid geweest om te verklaren over haar gestelde verwestering, maar heeft dit niet gedaan. Vrouwen in Syrië zijn geen sociale groep zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
11. Allereerst moet worden opgemerkt dat de rechtbank op grond van de artikelen 83 en 83a van de Vw een volledig en actueel onderzoek moet verrichten, ook naar de feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd. De rechtbank zal dan ook ingaan op alle beroepsgronden zoals die hiervoor uiteen zijn gezet.
12. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken van 14 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3175 en ECLI:NL:RVS:2024:3291) geoordeeld dat verweerders beleid over Syrische terugkeerders zoals dat toen gold niet onrechtmatig was. Verweerder heeft er echter in het verweerschrift terecht op gewezen dat dit beleid inmiddels niet meer geldt. Anders dan eiseres stelt, heeft zij daarom geen belang meer bij bespreking van de beroepsgrond hierover. De stelling van eiseres dat er ten tijde van het bestreden besluit meer aandacht had moeten zijn voor de korte duur van haar terugkeer en haar minderjarigheid, is geen aanleiding voor een ander oordeel.
13. Zoals ter zitting nogmaals is bevestigd, volgt uit de gronden van beroep dat eiseres geen vervolging vreest vanwege haar gestelde journalistieke werkzaamheden. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om hier verder op in te gaan.
14. De wijze waarop de door een asielzoeker gestelde seksuele gerichtheid op geloofwaardigheid wordt beoordeeld, volgt uit de Werkinstructie 2019/17 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Verweerder moet hierbij rekening houden met het referentiekader van de individuele asielzoeker. Daarmee wordt het geheel van factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop diegene in staat is te verklaren over het asielrelaas. Verweerder heeft het referentiekader van eiseres in voldoende mate in kaart gebracht. Hoewel eiseres nog jeugdig is, was zij ten tijde van het aanvullend gehoor over haar gestelde biseksualiteit al negentien jaar oud en daarmee volwassen. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres hoogopgeleid is en dat zij volgens haar verklaringen heeft deelgenomen aan diverse LHBTI-discussiegroepen, zodat van haar mag worden verwacht dat zij met enig detailniveau over haar geaardheid kan verklaren.
15. In artikel 4 van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) staat dat van een asielzoeker mag worden verlangd alle elementen die relevant zijn voor de asielaanvraag zo spoedig mogelijk naar voren te brengen. Verweerder mocht dan ook aan eiseres tegenwerpen dat zij dat op dit punt niet heeft gedaan. Maar zoals ook voortvloeit uit de Werkinstructie 2019/17 heeft verweerder desondanks een integrale beoordeling gemaakt van de daarin genoemde thema’s.
16. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij summier heeft verklaard over het besef van haar geaardheid, over wat dit met haar deed en over haar relatie met een meisje in Syrië. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt wat zij ermee bedoelt dat zij geen ontkenningsfase, maar wel een twijfelfase heeft gehad. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat de verklaring van eiseres dat het slecht voelde dat haar vader boos werd na een algemene vraag over homoseksualiteit, weinig inzicht geeft. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat de verklaringen van eiseres dat haar vriendin in Syrië ook van boeken hield, een charismatische persoonlijkheid had, hard werkte en aantrekkelijk en lief was, weinig inzicht geven in de aard van de gestelde relatie. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij summier heeft verklaard over de LHBTI-gemeenschappen in Syrië en Nederland. Anders dan eiseres stelt, zijn de omstandigheden dat zij in [stad] woonde en weinig geld had, daarvoor geen verontschuldiging. Conform de Werkinstructie 2019/17 heeft de LHBTI-coördinator van verweerder met de besluitvorming meegekeken. Ten slotte biedt het rapport van het aanvullende gehoor van 15 december 2023 geen ondersteuning voor de stelling van eiseres ter zitting dat zij te weinig ruimte heeft gekregen om over haar seksuele geaardheid te verklaren.
17. Er zijn geen beroepsgronden gericht tegen het ongeloofwaardig achten van de gestelde politieke activiteiten van de vader en de daardoor ondervonden problemen. De vervolgvraag die voorligt, is of eiseres vanwege haar afvalligheid van de islam gevaar loopt in het huidige Syrië. Verweerder heeft gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding bestaat om dit aan te nemen en daarbij verwezen naar recente landeninformatie, met name het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Syrië van mei 2025. Eiseres heeft hier geen andere landeninformatie tegenover gesteld. Daarnaast heeft zij haar stelling dat het nieuwe regime in de toekomst mogelijk strenger gaat optreden, niet concreet onderbouwd. De enkele omstandigheid dat het nieuwe regime een (fundamentalistische) islamitische achtergrond heeft, is hiervoor onvoldoende. In aanvulling hierop merkt de rechtbank nog het volgende op.
18. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak KL (ECLI:EU:C:2024:487) geoordeeld dat vrouwen onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In reactie daarop heeft verweerder via het WBV 2024/23 (Stcrt. 2024, 38596) zijn beleid aangepast. Anders dan eiseres stelt, vloeit hieruit niet voort dat zij nogmaals aanvullend had moeten worden gehoord over haar gestelde verwestering. Hierbij speelt mee dat niet valt in te zien waarom eiseres hierover in het aanvullende gehoor van 16 juli 2025 niet zou hebben kunnen verklaren. Verder heeft eiseres in beroep niet concreet toegelicht waaruit haar gestelde verwestering precies bestaat, hoe die tot uiting komt en hoe dat zou maken dat zij in het huidige Syrië te maken zou krijgen met vervolging.
19. De conclusie is dat verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit en het aanvullende besluit blijven in stand.
20. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.