RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11884
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Joseph).
Procesverloop
Met een besluit van 6 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Met een besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 in Breda op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: [referent] (referent), tolk [tolk] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [datum] 1959 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres is de moeder van referent. Referent heeft op 29 augustus 2022 namens eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een mvv met als doel om in Nederland bij hem te verblijven.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het kader van de bezwaarprocedure is referent op 10 februari 2025 gehoord. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar het primaire besluit, overwogen dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele band tussen een ouder en een meerderjarig kind overstijgen.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder de relevante feiten en omstandigheden niet in samenhang heeft beoordeeld. Eiseres was altijd een lid van het gezin van referent. Na het vertrek van referent heeft eiseres met zijn echtgenote en kind geleefd. Toen zij naar Nederland gingen, is eiseres teruggekeerd naar het dorp waar referent is opgegroeid, omdat zij verder niemand meer had. Het gezin is dus uit elkaar gescheurd en eiseres is alleen achtergebleven in Syrië zonder zorg, hulp en ondersteuning. Referent kon zijn oude sociale vangnet inschakelen om eiseres te helpen, maar de bereidheid neemt steeds verder af. Zijn vrienden vertrekken uit Syrië of overwegen te vertrekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het geval van een ouder en een meerderjarig kind is sprake van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM als tussen hen een emotionele band bestaat met bijkomende elementen van afhankelijkheid (additional elements of dependancy involving more than the normal emotional ties). Of een dergelijke band aanwezig is, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid tussen betrokkenen, de gezondheid van betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en het antwoord op de vraag of betrokkenen hebben samengewoond, kunnen bijvoorbeeld een rol spelen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat tussen eiseres en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hoewel aangenomen wordt dat eiseres en referent tot het moment van het vertrek van referent uit Syrië hebben samengeleefd, is dit langdurige samenwonen op zichzelf onvoldoende om te spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat referent en zijn echtgenote voor eiseres zorgden, is daarvoor eveneens onvoldoende. De aard van de zorg waarvan zij afhankelijk zou zijn, vereist geen hulp van een specifieke persoon. Medisch gezien kan eiseres voor haar klachten de benodigde zorg krijgen in Syrië. Een bijzondere afhankelijkheid van referent is niet aangetoond. Daarnaast acht verweerder het niet ten onrechte moeilijk te geloven dat de zeven dochters van eiseres, die in hetzelfde dorp als zij wonen, niets voor hun moeder zouden kunnen of willen betekenen. Verweerder heeft zich dan ook deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referent geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat.
7. Eiseres heeft de conclusie van verweerder dat tussen haar en haar schoondochter (de echtgenote van referent) geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet bestreden. Evenmin heeft zij de conclusie dat er tussen haar en haar kleindochter (de minderjarige dochter van referent) geen sprake is van hechte persoonlijke banden bestreden. Ook in deze relaties is dus geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 5 februari 2026 gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.