RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5970
v-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 6 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1978 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 oktober 2025. Vervolgens is een vervolgberoep ingediend. Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 17 december 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 17 december 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. De Algerijnse autoriteiten hebben tot op heden geen lp afgegeven en er is evenmin een presentatiedatum bekend. Omdat eiser niet beschikt over identiteits- of nationaliteitsdocumenten en de bewaring inmiddels geruime tijd voortduurt, acht hij niet aannemelijk dat binnen de termijn van zes maanden alsnog een lp zal worden verstrekt. Eiser vindt dat van verweerder mag worden verwacht concrete aanknopingspunten te geven die de verwachting rechtvaardigen dat vreemdelingen met de Algerijnse nationaliteit op korte termijn, met een lp, kunnen worden uitgezet naar Algerije, waarbij hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2021. Bovendien valt volgens eiser niet te verwachten dat eiser binnen een redelijk termijn over informatie kan beschikken die zijn uitzetting mogelijk maakt of bespoedigt. Eiser meent daarnaast dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Sinds het vorige beroep is slechts driemaal gerappelleerd en is een vertrekgesprek gevoerd, terwijl verweerder geen aanvullende inspanningen heeft verricht om zijn dossier onder de aandacht van de Algerijnse autoriteiten te brengen. Tot slot heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet is gekomen tot toepassing van een lichter middel. Omdat vreemdelingenbewaring een uiterst middel is, had een belangenafweging moeten worden gemaakt. Niet is inzichtelijk gemaakt waarom niet kon worden volstaan met een minder ingrijpend middel, zoals een meldplicht of borgtocht.
5. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld is er in het algemeen zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn naar Algerije. Ook heeft de rechtbank eerder al vastgesteld dat dat voor eiser persoonlijk niet anders is. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waardoor zicht op uitzetting naar Algerije nu wel zou ontbreken. De enkele omstandigheid dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag is geen reden om in het specifieke geval van eiser aan te nemen dat zicht op uitzetting ontbreekt. De stelling van eiser dat verweerder de cijfers van 2025 dient te overleggen waaruit blijkt hoeveel lp’s er daadwerkelijk zijn afgegeven door de Algerijnse autoriteiten, is bij het eerdere vervolgberoep ook reeds aangevoerd. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting door periodiek te rappelleren over de lp-aanvraag en door regelmatig vertrekgesprekken te houden met eiser. Daarbij geldt dat de Algerijnse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat zij in het geval van eiser geen lp zullen afgeven.
6. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraken van 7 oktober 2025 en 18 december 2025. In die beoordeling zijn de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. In het huidige beroep heeft eiser geen andere, bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel. Verweerder is daarnaast niet gehouden om in de voortgangsrapportage te motiveren of een lichter middel kan worden toegepast.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.