[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. E.N. Hanks-Spijkerman en mr. M.J. Metselaar).
Inleiding
In het besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Metselaar.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [datum] 1985 en heeft de Ugandese nationaliteit. Zij heeft op 10 juli 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Op 12 augustus 2025 is zij door verweerder gehoord over haar asielmotieven. Eiseres heeft verklaard dat zij in Uganda gevaar loopt omdat zij lesbisch is.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de algemene procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiseres de lesbische geaardheid heeft en dat zij daardoor problemen heeft ondervonden. Volgens verweerder heeft eiseres dit asielmotief namelijk niet volledig onderbouwd met objectieve documenten en zijn haar verklaringen daarover niet samenhangend en aannemelijk. Dit betekent volgens verweerder dat er geen aanleiding is om eiseres als vluchteling aan te merken, of om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar Uganda een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder niet heeft onderkend dat zij slecht is in het onthouden van datums, en dat verweerder te weinig rekening heeft gehouden met haar culturele en sociale achtergrond. Ook voert zij aan dat zij wel degelijk in voldoende mate verklaringen heeft afgelegd, en dat verweerder over een aantal aspecten van haar relaas te weinig vragen heeft gesteld. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder te weinig rekening heeft gehouden met de door haar overgelegde stukken van Prisma, LGBT Asylum Support, haar ex-vriendin [persoon 1] en haar vriendin [persoon 2] . Eiseres verwijst hierbij naar de rechtspraak en naar de toepasselijke werkinstructie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
4. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Het is niet vast komen te staan dat eiseres moeite heeft met datums, en haar sociale en culturele achtergrond zijn voldoende in acht genomen. In het bestreden besluit is duidelijk gemotiveerd dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard. De overgelegde stukken zijn in de besluitvorming betrokken en kunnen de gebrekkige verklaringen van eiseres niet compenseren.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Uit artikel 4 van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) volgt dat een asielrelaas op geloofwaardigheid moet worden beoordeeld. Dit is overgenomen in artikel 31 van de Vw. Hoe verweerder hiermee sinds 1 juli 2024 omgaat is neergelegd in de Werkinstructie 2024/6 van de IND. In zaken waarin een LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd, wordt daarnaast sinds 30 december 2019 de Werkinstructie 2019/17 van de IND gehanteerd.
6. Onderdeel van deze werkwijzen is dat verweerder rekening houdt met het referentiekader van de individuele asielzoeker. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop diegene in staat is om te verklaren over het asielrelaas, waaronder opleidingsniveau, culturele en maatschappelijke achtergrond. Eiseres heeft haar stelling dat zij moeite heeft met datums niet onderbouwd. Er zijn hierover geen medische stukken overgelegd. Uit het verslag van MediFirst aan verweerder van 6 december 2024 blijkt weliswaar dat eiseres dit heeft aangegeven, maar ook dat zij in het gesprek met de verpleegkundige wel degelijk concrete datums heeft genoemd. Daarnaast kan eiseres niet worden gevolgd in haar stelling dat verweerder te weinig rekening heeft gehouden met haar culturele en sociale achtergrond. Verweerder heeft namelijk onderkend dat het in Uganda niet gebruikelijk is om over een lesbische geaardheid te spreken. Verweerder heeft echter niet ten onrechte de nadruk gelegd op de omstandigheid dat eiseres in Uganda een langdurige lesbische relatie heeft gehad, zodat van haar mag worden verwacht met enig detailniveau te verklaren.
7. Mede gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat zij problemen heeft gekregen vanwege haar lesbische gerichtheid. Eiseres heeft verklaard dat zij in februari 2022 moest vluchten nadat zij door de vader van haar kinderen was betrapt met haar vriendin en dat zij toen haar paspoort niet in bezit had. In het door eiseres overgelegde en echt bevonden paspoort bevindt zich echter een uitreisstempel van 23 februari 2022. De stelling van eiseres dat zij zich in de maand heeft vergist en dat de betrapping en de vlucht in januari hebben plaatsgevonden, volgt de rechtbank niet. Hiermee wordt namelijk niet opgehelderd waarom eiseres heeft verklaard dat zij pas in maart 2022 weer de beschikking had over haar paspoort, terwijl dit niet strookt met de uitreisstempel. Ook heeft eiseres niet toegelicht hoe zij zich heeft kunnen vergissen over dit centrale aspect van haar asielrelaas, anders dan dat vergissen menselijk is. Verder valt niet in te zien waarom deze gestelde vergissing niet in de correcties en aanvullingen of de zienswijze al naar voren is gebracht. Tot slot heeft verweerder hierbij niet ten onrechte betrokken dat het niet logisch is dat eiseres twee keer is teruggegaan naar Uganda ondanks de door haar gestelde problemen. De stelling van eiseres dat het voor haar in Kenia ook niet veilig was, is namelijk niet onderbouwd.
8. Anders dan eiseres stelt, volgt uit de motivering van het bestreden besluit niet dat de verdere beoordeling van haar verklaringen is gebaseerd op deze tegenstrijdigheid in de tijdlijn. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij oppervlakkig en deels repetitief heeft verklaard over het ontdekken en accepteren dat zij op vrouwen valt, en over haar relatie met [persoon 1] . Verweerder heeft eiseres daarbij gelet op het rapport van het gehoor van 12 augustus 2025 voldoende in de gelegenheid gesteld om haar verklaringen verder te verdiepen.
9. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754, vormen weliswaar de eigen verklaringen van de asielzoeker het uitgangspunt bij het beoordelen van een gestelde seksuele gerichtheid, maar kunnen overgelegde stukken dienen als ondersteunend bewijs. Verweerder moet daarom elk van de overgelegde stukken inhoudelijk beoordelen in relatie tot de afgelegde verklaringen en eventuele andere bewijsmiddelen. Ten aanzien van de door eiseres overgelegde stukken van Prisma, LGBT Asylum Support en [persoon 1] heeft verweerder dit ook gedaan. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat deze stukken weinig feitelijke informatie bevatten over hoe eiseres invulling geeft aan haar geaardheid. Op de brief van [persoon 2] die op 6 januari 2026 is overgelegd is verweerder in het bestreden besluit niet inhoudelijk ingegaan buiten de vaststelling dat deze niet afkomstig is van een verifieerbare en objectieve bron. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat ook deze brief nauwelijks feitelijke informatie bevat over de geaardheid van eiseres.
10. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
11. In het passeren van een gebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.